Bhagavad-Gîtâ: Hoofdstuk 1: 

 

 

Hoofdstuk 1 tot 5 van Bhagavad-Gîtâ verhandeld de Karma Yoga, de yoga van de volmaakte aktie; De individuele ziel realiseert zich de Oorspronkelijke Ziel door handelen.

Hoofdstuk 1: 
de yoga van de mismoedigheid 
(Over de confrontatie met de noodzaak te vechten)



 

(1) [Tijd: 3102 B.C.] Dhritarâstra [de blinde oom van de Pândava's, de zoons van koning Pându] zei: "Te Kuruksetra, een pelgrimsoord, verzamelden zich mijn partij en de zoons van Pându, ernaar uitziend om te vechten. Wat deden ze, o Sanjaya?"

(2) Sanjaya zei: "Toen hij de formatie van de soldaten van de Pândava's zag, benaderde koning Duryodhana [de aanvoerder van de zoons van Dhrtârâstra, de Kuru's] zijn leraar [Dronâcârya] en zei: (3) 'Zie toch hoe de zoons van Pându [een broer van Dhritarâstra en de vader van de Pândava's], o leraar, zijn opgesteld als een grote strijdmacht door de zoon van Drupada [de schoonvader van Arjuna die de Pândava's aanvoert], uw intelligente leerling [Dhristadyumna]. (4) Er bevinden zich daar helden en machtige boogschutters die in het gevecht gelijk zijn aan Bhîma en Arjuna [twee van de vijf zonen van Pându] zoals Yuyudhâna en Virata als ook Drupada zelf, die ook een grote krijgsheer is. (5) Dhrstaketu, Cekitâna, Kâsîrâja, en ook de zeer machtige Purujit, Kuntibhoja and Saibya zijn er daar, allen grote helden in de samenleving. (6) Yudhâmanyu, de krachtige Uttamaujâ, de zeer machtige zoon van Subhadrâ [een zus van Krishna, een vrouw van Arjuna] en de zoons van Draupadî zijn zeker allen grote strijdwagenvechters. (7) Maar te uwer informatie, o beste onder de tweemaal geborenen, laat me u ook vertellen over de bijzonder krachtige aanvoerders van onze soldaten. (8) Van de zijde van uw goede zelf zijn er daar grootvader Bhîsma als ook Karna, Kripa, en Asvatthâmâ, Vikarna en de zoon van Somadatta [Bhurisravâ], die zeker ook altijd zegerijk in de strijd zijn. (9) Er zijn ook een groot aantal andere helden uitgerust met vele wapens die ervaren zijn in de strijd en bereid zijn hun levens voor mij te riskeren.(10) Onze kracht is onmetelijk, volmaakt beschermd als we zijn door grootvader Bhîsma, maar slechts beperkt is al deze kracht bij de Pândava's zo zorgvuldig beschermd door Bhîma. (11) Zij die overal strategisch staan opgesteld om Bhisma te ondersteunen zullen zeker allen stuk voor stuk u ondersteuning verlenen.

(12) Tot zijn grote vreugde, blies de heldhaftige stamvader van de Kurudynastie, de grootvader, zeer luid vibrerend als een brullende leeuw op zijn schelphoorn. (13) Andere schelphoorns als ook grote en kleinere trommels en hoorns weerklonken plotseling daarop allen tezamen, hetgeen tot een geweldig tumult culmineerde. (14) Daarop lieten Mâdhava [Krishna als de echtgenoot van de godin van het geluk] met Arjuna staande in een grote strijdwagen getrokken door witte paarden, beiden vol zelfvertrouwen hun goddelijke schelphoorns weerklinken. (15) Hrisikesa [Krishna als de Heer der Zinnen] blies op de Pancajanya, Arjuna op de Devadatta en de bovenmenselijk krachtige Bhîma, de gretige eter, blies op de Paundra. (16-17-18) De koning, de zoon van Kuntî [Yudhisthira de oudste Pândava] blies op Ananta-vijaya terwijl Nakula en Sahadeva [de Pândava tweeling broers] op de Sughosa en de Manipuspaka bliezen. Zo ook bliezen de koning van Kâsî [Varanasi], de grote boogschutter Sikhandî en de grote krijgsheer Dhristadyumna, Virâta [die de Pândava's onderdak bood], Sâthyaki [Yuyudhâna, de wagenmenner van Krishna] die nog nooit was verslagen en, o Koning, Drupada tezamen met al de zoons van de Pândava's en de machtig bewapende Abhimanyu [de zoon van Subhadrâ], ieder op hun eigen schelphoorns. (19) Die trilling verscheurde de harten van de zoons van Dhritarâstra, daar ze de hemel zowel als de aarde op hun grondvesten deed schudden. (20) O Koning, toen sprak op dat moment de zoon van Pându, die Hanumân in zijn vaandel voerde en vanaf zijn strijdwagen de zoons van Dhritarâstra gadesloeg in voorbereiding op het opnemen van zijn boog en het afschieten van zijn pijlen, de volgende woorden tot Hrisikesa:

(21-22) Arjuna zei: 'Rijdt alsjeblieft mijn strijdwagen tussen de beide legers, o Onfeilbare, voor zo lang ik de tijd heb hen gade te slaan, die hier verlangend naar de strijd staan opgesteld op het slagveld om zich met mij in deze gewapende konfrontatie te meten. (23) Laat me hen bezien die zullen vechten en hier bijeen zijn gekomen in het verlangen de boosaardige zoon van Dhritarâstra te behagen.'

(24) Sanjaya zei: "O zoon van Bharata, op die wijze toegesproken door Arjuna, plaatste Hrisikesa de machtig mooie strijdwagen temidden van de twee legers. (25) Tegenover Bhisma, Drona en al de legeraanvoerders van de wereld zei de Heer: 'O zoon van Prithâ, zie hoe al de leden van de Kuru-dynastie zich hier hebben verzameld'. (26) Daar kon hij inderdaad de beide partijen van de strijdmachten zien staan: zijn vaders, grootvaders, leraren, ooms van moeders zijde, broers, zoons, kleinzonen, vrienden als ook zijn schoonvaders en weldoeners. (27) Allerlei leden van de familie ziend raakte hij, de zoon van Kunti, overmand door een grote mate van mededogen en begon hij weeklagend te spreken.

(28) Arjuna zei: 'Het aanzien van al deze verwanten, o Krishna, allen aanwezig met de bedoeling om te vechten, doet mijn ledematen beven en maakt mijn mond droog. (29) Mijn lichaam trilt en mijn haar staat overeind, mijn Gândiva [zijn boog] glijdt uit mijn hand en mijn huid is zeker gloeiend. (30) Noch ben ik in staat te blijven staan, mijn denken slaat op hol en ik zie alleen nog maar het tegengestelde, o Kesava [Krishna als de doder van het dolle paard Kesi]. (31) Noch voorzie ik enig goeds in het doden van mijn eigen verwanten in de strijd en verlang ik ook niet naar de overwinning, o Krishna, noch verwacht ik daar een gelukkig koninkrijk van. (32-35) Wat baat ons het koninkrijk, Govinda? Welke levensvreugde vinden we erin als het koninkrijk door ons wordt verlangd terwille van diegenen die dat materiële geluk en genoegen ook verlangen terwijl ze allen hier op het slagveld tegenover ons staan opgesteld en bereid zijn hun leven ervoor op te geven: onze leraren, vaders, zoons als ook voorzeker onze grootvaders. Al deze ooms van moeders zijde, schoonvaders, kleinzonen en zwagers en andere familie wens ik nooit te doden of te worden gedood, o Madhusűdana [Krishna die Madhu versloeg]. Nog niet in ruil voor de drie werelden wil ik het koninkrijk, om nog maar te zwijgen het terwille van het aardse te hebben - welk genoegen valt er te beleven aan het doden van de zoons van Dhritarâstra, o Janârdana [Krishna als de handhaver van de drie werelden]? (36) Voorzeker zullen we ons met zonden overladen al deze agressors te doden en daarom zouden we nooit de zoons van Dhritarâstra tezamen met hun vrienden en verwanten van het leven moeten beroven. Hoe kunnen wij nu gelukkig worden door te doden, o Mâdhava?

(37-38) Zelfs als ze vanuit hun hart overweldigd door begeerte de fout niet inzien van het doden van de familie, het redetwisten met vrienden en het moeten ondergaan van de terugslagen ervan - waarom zouden wij, die de misdaad van het vernietigen van een dynastie inzien, ons niet afkeren van dergelijke zonden, o Janârdana? (39) De familie vernietigen, zal haar eeuwige religieuze tradities doen verdwijnen als gevolg waarvan de gehele familie zijn plichtsbesef zal verliezen, zo zegt men. (40) Met het overwegen van dit gebrek aan verantwoordelijkheid zullen, o Krishna, de vrouwen van de familie bedorven raken en van het ondermijnen van de vrouwelijkheid zal er een verwarring van identiteit in de samenleving zijn. (41) Een dergelijke verwarring zal zeker het leven van de familieleden van diegenen die hun familie hebben gedood in de hel doen belanden, daar ze met de val van hun voorvaderen er eveneens mee zullen zijn opgehouden offerandes van voedsel en water te brengen. (42) Zulke fouten van al diegenen die de familie vernietigden en verward raakten in hun identiteit, zullen de voortzetting van de rechtgeaardheid van status-oriëntaties en familietradities in de samenleving verwoesten. (43) Van hen die de familietradities bedierven, o Janârdana, zal men altijd in de hel blijken te belanden, zo heb ik gehoord van de geleerden. (44) Helaas, wars daarvan hebben we ertoe besloten grote zonden te begaan in het trachten te doden van onze familie in ons door begeerte voortgedreven verlangen naar koninklijk geluk. (45) Het zou beter voor me zijn mijn verzet en wapenen op te geven en me te laten doden door de wapens in de handen van de zoons van Dhritarâstra op het slagveld."

(46) Sanjaya zei: "Na zo op het slagveld te hebben gesproken, ging Arjuna op de zitting van zijn strijdwagen zitten, zijn boog en pijlen wegzettend, van streek door een geest vol treurnis."