28 mei - 8 juni: Vipassana en wandel retraite in  Frankrijk  |  Lees hier meer...

Reiki

Chios

Tantra

Sweda

Retraite

Spiriwiki

   

Maha Parinibbana Soetra, Hoofdstuk 6: Het grote heengaan

.

 

De Gezegende spoort voor de laatste maal aan:
6.1
. En de Heer zei tegen de Eerwaarde Ananda: "Het kan zijn, Ananda, dat in sommigen van jullie de gedachte opkomt: 'De instructies van de Meester zijn er niet meer; wij hebben geen Leraar meer.' Maar zo, Ananda, moet dat niet worden gezien. Want, Ananda, dat wat ik verkondigd heb en bekend gemaakt heb als de Dhamma en de Discipline, dat zal jullie Leraar zijn nadat ik ben heengegaan."

6.2. "En aangezien de monniken de gewoonte hebben elkaar aan te spreken als 'vriend', moet deze gewoonte worden afgeschaft nadat ik ben heengegaan. De oudere monniken, Ananda, mogen de jongere monniken bij hun naam aanspreken, hun familienaam of als 'vriend'; maar de jongere monniken moeten de oudere monniken aanspreken als 'Eerwaarde heer' of 'Eerbiedwaardige heer'."

6.3. "Wanneer zij het wensen, Ananda, kan de Sangha de kleinere regels na mijn heengaan, afschaffen."

6.4. "Na mijn heengaan, Ananda, moet de monnik Channa de hogere straf worden opgelegd." -- "Maar, Heer, wat is de hogere straf?" -- "De monnik Channa, Ananda, mag zeggen wat hij wil, maar niemand moet met hem spreken, hij moet door de monniken niet worden gemaand of onderwezen."

6.5. Toen sprak de Heer de monniken toe met deze woorden: "Monniken, het kan zijn dat iemand van jullie twijfels of onzekerheden heeft over de Boeddha, de Dhamma of de Sangha, het Pad of de beoefening van het Pad. Vraag dan, monniken! Zorg ervoor dat jullie later geen spijt krijgen bij de gedachte: 'Wij stonden van aangezicht tot aangezicht met de Meester, en terwijl wij van aangezicht tot aangezicht met de Meester stonden, waren wij niet in staat hem iets te vragen!'"

Nadat dit was gezegd, zwegen de monniken. De Heer herhaalde zijn woorden voor de tweede en voor de derde keer, maar de monniken bleven zwijgen. De Heer spoorde hen opnieuw aan, en zei: "Monniken, misschien is het uit respect voor jullie Leraar dat jullie niets vragen. Laat dan, monniken, een vriend het tegen een ander zeggen." Maar de monniken bleven zwijgen.

6.6. En de Eerwaarde Ananda zei: "Het is wonderbaarlijk, Heer! Het is wonderbaarlijk! Dit geloof heb ik in deze gemeenschap van monniken, dat zelfs niet één monnik twijfels of onzekerheden heeft over de Boeddha, de Dhamma of de Sangha, het Pad of de beoefening van het Pad!"

"Jij spreekt uit geloof, Ananda, maar de Tathagata weet héél zeker dat er binnen deze gemeenschap van monniken er zelfs niet één monnik is, die twijfels of onzekerheden heeft over de Boeddha, de Dhamma of de Sangha, het Pad of de beoefening van het Pad. Want, Ananda, onder deze vijfhonderd monniken is zelfs de laagste een in de stroom getredene, het is onmogelijk voor hem om in ellendige staten te vervallen, maar hij is er verzekerd van en voorbestemd om het Nibbana te bereiken."

6.7. Toen sprak de Heer tot de monniken: "Welnu, monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen hebben de aard van vergaan in zich! Bewerkstellig vastbesloten door indachtigheid jullie eigen bevrijding!"

Dit waren de laatste woorden van de Tathagata.

 

Hoe de Gezegende heenging:
6.8
. Toen ging de Gezegende de eerste jhana binnen. En na deze verlaten te hebben, ging hij de tweede jhana binnen, de derde, en vervolgens de vierde. Toen, na het verlaten van de vierde jhana, ging hij de sfeer van de oneindige ruimte binnen, vanuit daar de sfeer van het oneindig bewustzijn, van daaruit de sfeer van niets-heid, van daaruit de sfeer van noch waarnemen noch niet waarnemen. Toen hij deze sfeer verlaten had, bereikte hij de staat van de opheffing van voelen en waarnemen.

Toen zei de Eerwaarde Ananda tegen de Eerwaarde Anuruddha: "Eerwaarde Anuruddha, de Heer is heengegaan." -- "Nee, vriend Ananda, de Heer is niet heengegaan. Hij heeft de staat van de opheffing van voelen en waarnemen bereikt."

Toen, nadat hij de staat van de opheffing van voelen en waarnemen verlaten had, ging hij de sfeer van waarnemen noch niet waarnemen binnen, van daaruit de sfeer van niets-heid, vanuit daar de sfeer van oneindig bewustzijn en vanuit daar de sfeer van oneindige ruimte. Vanuit de sfeer van oneindige ruimte ging hij de vierde jhana binnen, de derde, de tweede en vervolgens de eerste. Vanuit de eerste jhana ging hij de tweede jhana binnen, de derde, de vierde. Nadat hij de vierde jhana verlaten had, verdween hij totaal.

 

De echo van de wereld:
6.10
. Toen de Gezegende was heengegaan, ontstond er een krachtige aardbeving, beangstigend en welke gepaard ging met donderslagen die door de lucht rolden.

En nadat de Gezegende was heengegaan uitte Brahma Sahampati dit vers:

"Alle wezens in de wereld moeten heengaan,
alle levende wezens moeten hun lichaam achterlaten.
Zelfs een Meester zoals hij, die onvergelijkbaar is in de mensenwereld,
machtig in wijsheid en verlichting,
is heengegaan."

En nadat de Gezegende was heengegaan uitte Sakka, koning der goden, dit vers:

"Alle elementen van het leven zijn vergankelijk,
als ze ontstaan zijn verdwijnen ze ook meteen weer.
Goed is die vrede wanneer de elementen niet meer opkomen.

En nadat de Gezegende was heengegaan uitte de Eerwaarde Anuruddha, dit vers:

"Geen enkele ademhaling meer,
maar vastbesloten in zijn hart,
vrij van begeerten en kalm -- zo komt de Heilige tot zijn einde.

Met een onbewogen geest verdroeg hij alle pijnen,
en zoals een vlam die uitdooft,
zo heeft zijn geest bevrijding gevonden."

En nadat de Gezegende was heengegaan uitte de Eerwaarde Ananda, dit vers:

"De aardbeving was verschrikkelijk,
het haar ging er recht van overeind staan,
toen de Alwetende, de Boeddha, heenging."

En die monniken die hun hartstochten nog niet overwonnen hadden, huilden en trokken zichzelf aan de haren, hieven hun armen omhoog, wierpen zichzelf op de grond, zij rolden en tolden terwijl ze schreeuwden: "De Gezegende Heer is veel te snel gestorven! De Tathagata is veel te snel gestorven! Veel te snel is het Oog van de Wereld verdwenen!" Maar die monniken die bevrijd waren van begeerte, die indachtig en van helder begrip waren, zeiden: "Alle samengestelde dingen zijn vergankelijk -- wat is de zin van dit alles?"

6.11. Toen zei de Eerwaarde Anuruddha: "Vrienden! Stop met huilen en weeklagen! Heeft de Heer niet reeds vanaf het allereerste begin verteld, dat alles wat ons dierbaar en lief is aan verandering onderhevig is, dat wij hiervan moeten scheiden en dat deze dingen veranderen? Van datgene wat geboren is, geworden is, samengesteld is, onderhevig aan verval is, hoe kan iemand daarvan zeggen: 'Dat dit niet tot ontbinding zal komen!' Ook de deva's, vrienden, hebben verdriet."

"Eerwaarde Anuruddha, welke deva's bent u gewaar?"

"Vriend Ananda, er zijn ruimte-deva's met een aarde-gebonden geest; zij huilen en trekken zichzelf aan de haren, heffen hun armen omhoog, werpen zichzelf op de grond, zij rollen en tollen terwijl ze schreeuwen: 'De Gezegende Heer sterft veel te vlug! De Tathagata sterft veel te vlug! Veel te snel verdwijnt het Oog van de Wereld!' En er zijn ook aarde-deva's met een aarde-gebonden geest die net zo doen. Maar die deva's die bevrijd zijn van begeerte, die indachtig en van helder begrip zijn, zeggen: 'Alle samengestelde dingen zijn vergankelijk -- wat is de zin van dit alles?'"

6.12. De Eerwaarde Anuruddha en de Eerwaarde Ananda brachten gezamenlijk de rest van de nacht door met gesprekken over de Dhamma. En de Eerwaarde Anuruddha zei: "Vriend Ananda, ga nu naar Kusiñara en bericht de Malla's: 'Vasettha's, de Heer is heengegaan. De tijd is aangebroken om te doen wat jullie passend lijkt.'"

"Ja, Eerwaarde", zei Ananda, en nadat hij zichzelf in de ochtend gekleed had en zijn bovenkleed en bedelnap genomen had, ging hij met nog een monnik naar Kusiñara. Op dat moment hadden de Malla's van Kusiñara zich verzameld in de ontmoetingshal vanwege bepaalde zaken. Toen de Eerwaarde Ananda hen genaderd had, bracht hij Anuruddha's boodschap over. En toen zij de woorden van de Eerwaarde Ananda hoorden, waren de Malla's met hun zonen, hun vrouwen en de vrouwen van hun zonen, getroffen door angst en verdriet, hun geest werd overtroffen door verdriet zodat zij allen huilden en zichzelf aan de haren trokken, hieven hun armen omhoog, wierpen zichzelf op de grond, zij rolden en tolden terwijl ze schreeuwden: "De Gezegende Heer is veel te snel gestorven! De Tathagata is veel te snel gestorven! Veel te snel is het Oog van de Wereld verdwenen!"

 

Eerbetoon aan de overblijfselen:
6.13
. De Malla's bevolen hun mensen met de woorden: "Verzamel alle geurwerken, bloemenkransen en muzikanten van heel Kusiñara." En met de geurwerken, de bloemenkransen, de muzikanten en de vijfhonderd repen stof, gingen de Malla's naar het Sala Park, het recreatiepark van de Malla's waar het lichaam van de Gezegende lag. Nadat zij het genaderd waren, kwam deze gedachte in hen op: "Het is voor ons nu te laat in de avond om het lichaam van de Gezegende te cremeren. We zullen dit morgen doen."

En ook de tweede, de derde, de vierde, de vijfde en de zesde dag betuigden zij respect aan het lichaam van de Gezegende met dans, zang, muziek, bloemenkransen en geurwerken, zij richtten afdaken en paviljoenen op en brachten de nacht door met het betuigen van respect, eerbied en vereerden het lichaam van de Gezegende.

6.14. Op de zevende dag dachten de Malla's van Kusiñara: "Wij hebben hulde betuigd aan het lichaam van de Gezegende met dans, zang, muziek, bloemenkransen en geurwerken. We hebben respect, eerbied en verering getoond. Laat ons nu het lichaam van de Gezegende zuidwaarts dragen. Laat ons nu het lichaam van de Gezegende ten zuiden van de stad cremeren." Toen zeiden acht Malla's van vooraanstaande families, die zich gewassen hadden en schone kleren aangedaan hadden: "Wij zullen nu het lichaam van de Gezegende optillen", maar zij bemerkten dat zij hiertoe niet in staat waren. En de Malla's spraken tot de Eerwaarde Anuruddha: "Wat is de oorzaak, Eerwaarde Anuruddha, wat is de reden dat acht Malla's van vooraanstaande families, die zich gewassen hebben en schone kleren aangedaan hebben, toen zij zeiden: 'Wij zullen nu het lichaam van de Gezegende optillen', dat zij daartoe niet in staat waren?"

"Vasettha's, jullie hebben een bedoeling, maar de deva's hebben een andere bedoeling."

6.15. "Eerwaarde, wat is de bedoeling van de deva's?"

"Vasettha's, jullie bedoeling is deze: 'Wij hebben hulde betuigd aan het lichaam van de Gezegende met dans, zang, muziek, bloemenkransen en geurwerken. We hebben respect, eerbied en verering getoond. Laat ons nu het lichaam van de Gezegende zuidwaarts dragen. Laat ons nu het lichaam van de Gezegende ten zuiden van de stad cremeren.' Maar de bedoeling van de deva's, Vasettha's, is deze: 'Wij hebben hulde betuigd aan het lichaam van de Gezegende met hemelse dans, zang, muziek, bloemenkransen en geurwerken. We hebben respect, eerbied en het vereren getoond. Laat ons nu het lichaam van de Gezegende noordwaarts dragen naar het noordelijke deel van de stad. Nadat wij het lichaam door de noordelijke poort van de stad hebben gedragen, laat ons dan door het centrum van de stad gaan en dan in oostelijke richting gaan naar het oostelijke deel van de stad. En nadat wij door de oostelijke poort van de stad zijn gegaan, laat ons het lichaam van de Gezegende dan naar het heiligdom van de Malla's -- Makuta bandhana -- dragen. Laat ons daar het lichaam van de Gezegende cremeren.'"

"Eerwaarde heer, als dat de wens van de deva's is, dan zij het zo."

6.16. Op dat moment werden zelfs het riool en de afvalhopen van Kusiñara tot kniehoogte bedekt met koraalbloemen. En door de deva's en de Malla's van Kusiñara was er hulde betuigd aan het lichaam van de Heer met hemelse en menselijke dans, zang, muziek, bloemenkransen en geurwerken. Respect, eerbied en het vereren was getoond. En zij droegen het lichaam van de Gezegende noordwaarts naar het noordelijke deel van de stad. En nadat zij het lichaam door de noordelijke poort van de stad hadden gedragen, gingen zij door het centrum van de stad. Vervolgens gingen zij oostelijke richting in naar het oostelijke deel van de stad. En nadat zij door de oostelijke poort van de stad zijn gegaan, droegen zij het lichaam van de Gezegende naar het heiligdom van de Malla's -- Makuta bandhana -- en legden het daar neer.

6.17. Toen vroegen de Mala's van Kusiñara aan de Eerwaarde Ananda: "Wat, Eerwaarde Ananda, moeten wij met het lichaam van de Tathagata op eerbiedwaardige wijze doen?"

"Vasettha's, er moet mee omgegaan worden zoals met de overblijfselen van een Wiel-in-beweging-zettende universele heerser." -- "En hoe is dat, Eerwaarde?" -- "Het lichaam van een Wiel-in-beweging-zettende universele heerser, Vasettha's, wordt eerst omwikkeld met nieuw linnen, dan met opgekamde katoen; zo wordt dit gedaan met vijfhonderd lagen linnen en vijfhonderd lagen katoen. Wanneer dat gedaan is, wordt het lichaam van een universele heerser in een ijzeren olievat gelegd, dat omhuld word door nog een vat. Dan wordt er een brandstapel gemaakt van verscheidene geurige takken waarop het lichaam van een Wiel-in-beweging-zettende universele heerser wordt verbrand en op een plaats waar wegen samenkomen wordt een stupa opgericht. Dat, Vasettha's, is wat men doet met het lichaam van een Wiel-in-beweging-zettende universele heerser, en met het lichaam van de Tathagata moet men hetzelfde doen. Voor de Tathagata moet op een plaats waar wegen samenkomen, een stupa worden opgericht. En iedereen die bloemkransen of geurwerken naar die plaats brengt of er eerbied betuigt met een rustig hart, zal voor lange tijd voordeel en geluk ontvangen."

6.18. Toen bevolen de Malla's hun mensen met de woorden: "Verzamel nu alle opgekamde katoen van de Malla's!" En de Malla's van Kusiñara omwikkelden het lichaam van de Gezegende in nieuw linnen, dan met opgekamde katoen.

6.19. Juist op dat moment reisde de Eerwaarde Maha Kassapa met een grote groep monniken over de hoofdweg van Pava naar Kusiñara. Op een gegeven moment stapte hij van de hoofdweg af en ging hij aan de voet van een boom zitten.

Een zekere Ajivaka kwam langs omdat hij op weg was naar Pava. Hij had een koraalbloem van Kusiñara meegenomen. Maha Kassapa zag de Ajivaka van grote afstand naderen. Toen hij dichtbij gekomen was, zei hij: "Vriend, heeft u iets van onze Meester gehoord?"

"Ja, vriend, dat heb ik. Het is nu zeven dagen geleden dat de asceet Gotama is heengegaan. Deze koraalbloem (mandarava) heb ik van daar (Kusiñara) meegenomen."

En die monniken die hun hartstochten nog niet overwonnen hadden, huilden en trokken zichzelf aan de haren, hieven hun armen omhoog, wierpen zichzelf op de grond, zij rolden en tolden terwijl ze schreeuwden: "De Gezegende Heer is veel te snel gestorven! De Tathagata is veel te snel gestorven! Veel te snel is het Oog van de Wereld verdwenen! Maar die monniken die bevrijd waren van begeerte, die indachtig en van helder begrip waren, zeiden: "Alle samengestelde dingen zijn vergankelijk -- wat is de zin van dit alles?"

6.20. In de groep zat een zekere Subhadda die op hoge leeftijd het huisloze leven was aangegaan. En hij sprak de monniken als volgt toe: "Genoeg, vrienden! Huil niet en weeklaag niet! Wij zijn nu eindelijk bevrijd van die grote asceet! Wij zijn altijd lastiggevallen met zijn woorden: 'Het is goed voor je om dit te doen, het is goed voor je om dat te doen!' Nu kunnen we doen wat we willen, en hoeven we niet te doen wat we niet willen!"

Maar de Eerwaarde Maha Kassapa zei tegen de monniken: "Genoeg, vrienden! Huil niet en weeklaag niet! Heeft de Gezegende niet reeds vanaf het allereerste begin verteld, dat alles wat ons dierbaar en lief is aan verandering onderhevig is, dat wij hiervan moeten scheiden en dat deze dingen veranderen? Van datgene wat geboren is, geworden is, samengesteld is, onderhevig aan verval is, hoe kan iemand, daarvan zeggen: 'Dat dit niet tot ontbinding zal komen!'"

(In Kusiñara)

6.21. Ondertussen zeiden vier Malla's van vooraanstaande families, die zich gewassen hadden en schone kleren aangedaan hadden: "Wij zullen nu de brandstapel van de Gezegende aansteken", maar zij bemerkten dat hen dit niet lukte. En de Malla's spraken tot de Eerwaarde Anuruddha: "Wat is de oorzaak, Eerwaarde Anuruddha, wat is de reden dat vier Malla's van vooraanstaande families, die zich gewassen hebben en schone kleren aangedaan hebben, toen zij zeiden: 'Wij zullen nu de brandstapel van de Gezegende aansteken', dat hen dit niet lukte?"

"Vasettha's, jullie hebben een bedoeling, maar de deva's hebben een andere bedoeling."

"Eerwaarde, wat is de bedoeling van de deva's?"

"Vasettha's, de bedoeling van de deva's is dit: 'De Eerwaarde Maha Kassapa is met een grote groep monniken onderweg van Pava naar Kusiñara. Laat de brandstapel van de Gezegende geen vlam vatten voordat de Eerwaarde Maha Kassapa hulde heeft betuigd aan de voeten van de Gezegende.'"

"Eerwaarde heer, als dat de wens van de deva's is, dan zij het zo."

6.22. En de Eerwaarde Maha Kassapa naderde de brandstapel van de Gezegende bij de heilige plaats van de Malla's -- Makuta bandhana, te Kusiñara. Hij ordende zijn gewaad over een schouder en met samengevouwen handen ter begroeting, liep hij drie keer rond de brandstapel terwijl hij zijn rechterzijde naar de Gezegende gericht hield. Toen ontblootte hij de voeten van de Heer en betuigde hij er met zijn hoofd hulde aan. Zo deden dat ook de vijfhonderd monniken. En toen hulde was betuigd door de Eerwaarde Maha Kassapa en de vijfhonderd monniken, vatte de brandstapel van de Gezegende vanzelf vlam.

6.23. En het gebeurde dat, nadat het lichaam van de Gezegende verbrandt was, er geen as en geen delen meer te zien waren van wat huid, weefsel, vlees, zenuwen en gewrichtssmeer geweest was. Alleen de botten bleven over. Net zoals na de verbranding van boter of olie er geen as en geen delen overblijven, zo was het ook na de verbranding van het lichaam van de Gezegende, dat er geen as en geen delen meer te zien waren van wat huid, weefsel, vlees, zenuwen en gewrichtssmeer geweest was. Alleen de botten bleven over. En van alle vijfhonderd doeken waren zelfs de meest binnenste en de meest buitenste doeken verbrand.

En nadat het lichaam van de Gezegende was verbrand, viel er water vanuit de hemel dat brandstapel van de Gezegende bluste, en ook uit de sala bomen kwam water. De Malla's van Kusiñara besprenkelden geparfumeerd water over het lichaam met hetzelfde doel.

En de Malla's van Kusiñara legden de relikwieën van de Gezegende in hun ontmoetingshal en omringde deze met een traliewerk van speren en een omheining van bogen. En daar betuigden zij zeven dagen lang hulde aan de relikwieën van de Gezegende met dans, zang, muziek, bloemenkransen en geurwerken. Zij betuigden respect, eerbied en vereerden de relikwieën van de Gezegende.

 

De verdeling van de relikwieën:
6.24
. En koning Ajatasattu Vedehiputta van Magadha hoorde dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. Hij zond een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ook wij zijn Khattiya's. Wij zijn het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Wij zullen een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

En de Licchavi's van Vesali hoorden dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. En zij zonden een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ook wij zijn Khattiya's. Wij zijn het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Wij zullen een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

En de Sakya's van Kapilavatthu hoorden dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. En zij zonden een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ook wij zijn Khattiya's. Wij zijn het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Wij zullen een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

En de Buli's van Allakappa hoorden dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. En zij zonden een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ook wij zijn Khattiya's. Wij zijn het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Wij zullen een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

En de Koliya's van Ramagama hoorden dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. En zij zonden een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ook wij zijn Khattiya's. Wij zijn het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Wij zullen een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

En de Vethadipa brahmaan hoorde dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. En hij zond een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ik ben een brahmaan. Ik ben het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Ik zal een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

En de Malla's van Pava hoorden dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. En zij zonden een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ook wij zijn Khattiya's. Wij zijn het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Wij zullen een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

6.25. Maar toen de Malla's van Kusiñara deze woorden hoorden, spraken zij de vergadering als volgt toe: "De Gezegende is in onze gemeente heengegaan. Wij zullen niets van de relikwieën van de Gezegende verdelen."

Toen sprak de brahmaan Dona de vergadering aan met deze woorden:

"Heren, luister naar mijn voorstel.
Verdraagzaamheid is wat de Leer van de Boeddha.
Het is niet correct als er strijd zou ontstaan
vanwege het verdelen van de overblijfselen van hem,
hij die de beste onder de mensen was!"

"Heren, laat ons allen in vriendschappelijkheid overeenstemmen
om acht parten te verdelen
zodat wijd en zijd stuppa's zullen verrijzen,
en allen die hen zien,
geloof in de Volledig Verlichte zullen verwerven!"

"Goed dan, brahmaan, verdeelt u de relikwieën in acht gelijke delen."

En Dona de brahmaan zei tegen de vergadering: "Het zij zo." En hij verdeelde op rechtvaardige wijze de relikwieën van de Gezegende in acht gelijke delen. Toen hij daarmee klaar was, zei hij: "Heren, laat de vergadering deze urn mij geven. Ik zal een stupa voor deze urn oprichten en een festival houden ter eerbetuiging." En de urn werd aan Dona de brahmaan gegeven.

6.26. En toen hoorden de Moriya's van Pipphalivana dat de Heer was heengegaan te Kusiñara. En zij zonden een boodschap naar de Malla's van Kusiñara: "De Gezegende was een Khattiya en ook wij zijn Khattiya's. Wij zijn het waard om een deel van de relikwieën van de Gezegende te ontvangen. Wij zullen een stupa voor de relikwieën van de Gezegende oprichten en een festival houden ter eerbetuiging."

"Er is niets meer van de relikwieën van de Gezegende over; de relikwieën van de Gezegende zijn verdeeld. Jullie kunnen de as nemen." En zij namen de as.

6.27. Koning Ajatasattu Vedehiputta van Magadha bouwde een grote stupa te Rajagaha voor de relikwieën van de Heer en hield ter eerbetuiging een festival. De Licchavi's van Vesali bouwden een stupa te Vesali voor de relikwieën van de Heer en hielden een festival ter eerbetuiging. De Sakya's van Kapilavatthu bouwden een stupa te Kapilavatthu voor de relikwieën van de Heer en hielden een festival ter eerbetuiging. De Buli's van Allakappa bouwden een stupa te Allakappa voor de relikwieën van de Heer en hielden een festival ter eerbetuiging. De Koliya's van Ramagama bouwden een stupa te Ramagama voor de relikwieën van de Heer en hielden een festival ter eerbetuiging. De Vethadipa brahmaan bouwde een stupa te Vethadipa voor de relikwieën van de Heer en hield een festival ter eerbetuiging. De Malla's van Pava bouwden een stupa te Pava voor de relikwieën van de Heer en hielden een festival ter eerbetuiging. De Malla's van Kusiñara bouwden een stupa te Kusiñara voor de relikwieën van de Heer en hielden een festival ter eerbetuiging. De brahmaan Dona bouwde een stupa voor de urn en hield een festival ter eerbetuiging. En de Moriya's van Pipphalivana bouwden een stupa voor de as en hielden een festival ter eerbetuiging. En zo gebeurde het dat er acht stupa's voor de relikwieën werden gebouwd, een negende voor de urn en een tiende voor de as. Dit was in die tijd gebruikelijk.

6.28.

De in acht delen verdeelde relikwieën kwamen van hem,
de Alwetende, de grootste onder de mensen.

Zeven worden er in Jambudipa vereerd,
een in Ramagama, bij de koningen van het Naga ras.

Een tand wordt vereerd in de Tavatimsa hemel,
een in het koninkrijk van kalinga,
en een door de Naga koningen.

Zij spreiden hun glorie over deze vruchtbare aarde,
en zo worden de relikwieën van de Alwetende,
geëerd door de vereerden.

Goden en Naga's, koningen, edelste onder de mensen,
betuig hulde met samengevouwen handen!

Want het is zeer zeldzaam, inderdaad,
om tijdens honderden wereldtijdperken
een Volledig Verlichte te ontmoeten!

.

.

.

.

.

   
   

 

Dharma-lotus is onderdeel van Reiki-Lotus, een Reiki- en meditatiepraktijk in Breda welk  werkt vanuit een Boeddhistische visie. U kunt contact met ons opnemen op info@Dharma-lotus.com.
Deze website is gebouwd door Ivar Mol, Ivar@reiki-lotus.com
Op alle artikelen rust een auteursrecht.