28 mei - 8 juni: Vipassana en wandel retraite in  Frankrijk  |  Lees hier meer...

Reiki

Chios

Tantra

Sweda

Retraite

Spiriwiki

   

Maha Parinibbana Soetra, Hoofdstuk 4: Het laatste maal

..

 

 

De olifantenblik:
4.1
. Nadat de Heer vroeg in de morgen was opgestaan en zich had aangekleed, nam hij zijn gewaad en bedelnap en ging naar Vesali voor de voedselronde. Nadat hij van de voedselronde was teruggekeerd en na de maaltijd, keek hij naar Vesali met een olifantenbliken sprak tot Ananda: "Dit, Ananda, is de laatste keer dat de Tathagata naar Vesali zal kijken. Kom, Ananda, laat ons naar Bhandagama gaan." -- "Goed, Heer." En de Gezegende verbleef te Bhandagama, samen met een grote groep monniken.

 

Te Bhandagama:    de vier dingen die begrepen en doorgrond zijn:
4.2. En de Gezegende sprak de monniken toe met de woorden: "Monniken, het is door het niet begrijpen, door het niet doorgronden van vier dingen dat ik, zowel als jullie, zo lang rondzwierven in deze cyclus van geboorte en dood. Welke zijn deze vier dingen? Door het niet begrijpen en het niet doorgronden van de edele deugdzaamheid, door het niet begrijpen en het niet doorgronden van de edele concentratie, door het niet begrijpen en het niet doorgronden van de edele wijsheid en door het niet begrijpen en het niet doorgronden van de edele bevrijding. Maar, monniken, nu deze vier begrepen en doorgrond zijn, is daarmee de hunkering naar bestaan afgekapt, vernietigd is datgene dat naar vernieuwing van worden leidt, en er is geen opnieuw worden meer."

4.3. Zo sprak de Heer. En de Gelukkige, de Meester, vervolgde:

"Deugdzaamheid, concentratie,
wijsheid en onvergelijkbare bevrijding;
dit zijn de edele principes
die Gotama bekend werden.

En deze kennende, onderwees hij
-- de Boeddha --
aan zijn monniken de Dhamma.

Hij, de vernietiger van lijden
-- de Meester, de Ziener --
heeft zijn rust (Nibbana) bereikt."

4.4. En ook te Bhandagama sprak de Heer de monniken vaak toe: "Dit is moraliteit, dit is concentratie, dit is wijsheid, dit is bevrijding. Concentratie (meditatie), monniken, die ondersteund wordt door deugdzaamheid brengt veel vruchten voort, veel zegening. De geest, die ondersteund wordt door wijsheid, is volledig en geheel bevrijd van alle aantastingen , namelijk: de aantasting van zintuiglijke begeerten, de aantasting van worden, de aantasting van opvattingenen de aantasting van onwetendheid."

4.5. En toen de Heer zolang in Bhandagama gebleven was als dat hij wenste, zei hij tegen Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar Hatthigama gaan (...), naar Ambagama (...), naar Jambugama (...)" En in iedere plaats gaf hij dezelfde toespraak: "Dit is moraliteit, dit is concentratie, dit is wijsheid, (...)" Toen zei de Heer: "Kom, Ananda, laat ons naar Bhoganagara gaan."

4.6. "Zo zij het, Heer", zei Ananda, en de Heer vertrok vergezeld door een grote groep monniken naar Bhoganagara en verbleef daar in het Ananda heiligdom.

 

Te Bhoganagara:    de vier grote criteria:
4.7
. En daar sprak de Gezegende de monniken toe met de volgende woorden: "Monniken, ik zal jullie vier criteria leren. Luister en wees zeer aandachtig. Ik zal spreken." -- "Ja, Heer", zeiden de monniken, en de Heer zei dit:

4.8. "Veronderstel dat er een monnik is die zegt: 'Vrienden, van de lippen van de Meester zelf, heb ik dit vernomen en geleerd: 'Dit is de Dhamma, dit is de Discipline, dit is de Leer van de Meester', dan, monniken, moeten jullie zijn woorden noch goedkeuren, noch afkeuren. En dan, zonder zijn woorden en uitdrukkingen goed te keuren of af te keuren, maar door elke zin woord voor woord te bestuderen, moeten ze met de toespraken worden vergeleken en moet er in het licht van de discipline op teruggeblikt worden. Indien zijn woorden met zulk een vergelijking en een terugblik niet te traceren zijn in de toespraken, noch verifieerbaar zijn door de discipline, dan dient jullie conclusie te zijn: 'Inderdaad, dit is niet het woord van de Boeddha; het is door deze monnik verkeerd begrepen.' In dat geval, monniken, dienen jullie de zaak te verwerpen."

"Maar indien zijn woorden met zulk een vergelijking en een terugblik te traceren zijn in de toespraken en verifieerbaar zijn door de discipline, dan dient jullie conclusie te zijn: 'Inderdaad, dit is het woord van de Boeddha; het is door deze monnik goed begrepen.' In dat geval, monniken, dienen jullie de zaak voor juist aan te nemen. Dit is het eerste criterium."

4.9. "Veronderstel dat er een monnik is die zegt: 'In die en die plaats is er een gemeenschap met ouderlingen en vooraanstaande leraren. Van die gemeenschap, heb ik dit vernomen en geleerd: 'Dit is de Dhamma, dit is. (als 4.8).' Dit is het tweede criterium."

4.10. "Veronderstel dat er een monnik is die zegt: 'In die en die plaats zijn er vele ouderlingen die erg geleerd zijn, dragers van de traditie, die de Dhamma kennen, de discipline, de code van de regels (...) (als 4.8).' Dit is het derde criterium."

4.11. "Veronderstel dat er een monnik is die zegt: 'In die en die plaats is er een ouderling die erg geleerd is. Van die ouderling, heb ik dit vernomen en geleerd: 'Dit is de Dhamma, dit is (...) (als 4.8).'"

"Maar indien zijn woorden met zulk een vergelijking en een terugblik te traceren zijn in de toespraken en verifieerbaar zijn door de discipline, dan dient jullie conclusie te zijn: 'Inderdaad, dit is het woord van de Boeddha; het is door deze monnik goed begrepen.' In dat geval, monniken, dienen jullie de zaak voor waar aan te nemen. Dit is het vierde criterium."

"Dit, monniken, zijn voor jullie de vier grote criteria om in acht te nemen."

4.12. En toen de Heer in Bhoganagara was, in het Ananda heiligdom, gaf hij een goed opgebouwde toespraak: "Dit is moraliteit, dit is concentratie, dit is wijsheid, dit is bevrijding. Concentratie (meditatie), monniken, die ondersteund wordt door deugdzaamheid brengt veel vruchten voort, veel zegening. De geest, die ondersteund wordt door wijsheid, is volledig en geheel bevrijd van alle aantastingen (asava's), namelijk: de aantasting van zintuiglijke begeerten (kamasava), de aantasting van worden (bhavasava), de aantasting van opvattingen (ditthasava) en de aantasting van onwetendheid (avijjasava)."

En toen de Heer zolang in Bhoganagara gebleven was als dat hij dat wenste, zei hij tegen Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar Pava gaan." -- "Goed, Heer", zei Ananda, en de Heer vertrok in het gezelschap van een grote groep monniken naar Pava waar hij in het mango bos van Cunda de smid verbleef.

 

Te Pava:    Het laatste maal van de Boeddha:
4.14
. En Cunda de smid hoorde: 'Er wordt gezegd, dat de Heer, terwijl hij te voet met een grote groep monniken door het land van de Malla's reist, in Pava is gearriveerd en daar in het Mango Bos (van Cunda) verblijft.' En Cunda de smid ging naar de Heer, boog zich diep voorover en ging aan zijn zijde zitten. En de Heer instrueerde, inspireerde, verkwikte en verblijdde hem met een gesprek over de Dhamma.

4.15. Toen zei Cunda tegen de Heer: "Heer, dat de Gezegende samen met de orde van monniken, van mij morgen een maal mag accepteren!" De Heer stemde stilzwijgend toe.

4.16. Omdat Cunda zijn stilzwijgen begreep, stond hij van zijn zitplaats op, groette de Heer, en vertrok terwijl hij zijn rechterzijde naar hem hield gericht.

4.17. Toen de nacht ten einde was, had Cunda de smid in zijn eigen woning, heerlijk vast en zacht voedsel bereid, inclusief een hoeveelheid sukara maddava, en kondigde de Heer de tijd voor het maal aan, met de woorden: "Het is tijd, Eerwaarde Heer. Het eten is klaar."

4.18. Toen, nadat de Heer zijn pij in de voormiddag had aangedaan en zijn bedelnap en bovenpij genomen had, ging hij samen met de orde van monniken naar de woning van Cunda de smid. Toen hij daar aankwam, nam hij plaats op de zetel die voor hem in gereedheid was gebracht, en zei tegen Cunda de smid: "Cunda, bedien mij met het sukara maddava dat je bereid hebt, en bedien de orde van monniken met het vaste en zachte eten."

"Goed, Eerbiedwaardige Heer", antwoordde Cunda de smid, en hij bediende de Heer met het sukara maddava en de orde van monniken met het vaste en zachte eten.

4.19. Toen zei de Heer tegen Cunda de smid: "Begraaf in een kuil wat van het sukara maddava is overgebleven, Cunda, want ik zie in de wereld met haar deva's, mara's en brahma's, en onder de mensheid met haar kluizenaren en brahmanen, haar prinsen en gewone mensen, niemand anders die dit kan eten en volledig kan verteren dan enkel de Tathagata."

"Goed, Heer", antwoordde Cunda, en hij begroef in een kuil het restant dat van het sukara maddava was overgebleven. Nadat hij dat gedaan had, keerde hij terug naar de Heer, boog zich diep voorover, en ging aan zijn zijde zitten. Toen hij daar zo zat, instrueerde, inspireerde, verkwikte en verblijdde de Heer hem met een gesprek over de Dhamma. Vervolgens stond hij van zijn zetel op, en vertrok.

4.20. En nadat de Heer het voedsel van Cunda de smid gegeten had, kwam er een vreselijke ziekte in hem op; dysenterie vergezeld met het vloeien van bloed en vreselijke pijnen alsof hij er aan zou sterven. Maar de Heer verdroeg dit alles oplettend en in helderheid van begrip, zonder te klagen. Toen zei de Heer tegen de Eerwaarde Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar Kusiņara gaan." -- "Goed, Heer", was het antwoord van Ananda.

Nadat hij het voedsel van Cunda de smid gegeten had,
-- zo heb ik gehoord --
overviel hem een verschrikkelijke ziekte,
pijnlijk en bijna dodelijk.

Door het eten van het sukara maddava
werd de Leraar door een vreselijke ziekte aangetast.

Nadat hij daarvan was hersteld,
kondigde de Heer aan:
"Kom, laten we naar het dorp Kusiņara gaan."
Dit waren zijn onverschrokken woorden.

 

Te Pava:    het helder worden van het water:
4.21
. En de Heer stapte van de weg af, ging naar de voet van een boom en zei tegen de Eerwaarde Ananda: "Kom, Ananda, vouw mijn pij in vieren en breng voor mij een zitplaats in gereedheid. Ik ben moe en wil gaan zitten." -- "Goed, Heer", antwoordde Ananda tot de Heer, en de pij in vieren vouwende, bracht hij een zitplaats voor de Heer in gereedheid waarop de Heer ging zitten.

4.22. Toen hij daar zo zat, sprak de Heer tot de Eerwaarde Ananda: "Kom, Ananda, haal wat water voor me. Ik heb dorst en wil wat drinken." Maar Ananda zei tegen de Heer: "Zojuist, Heer, zijn er wel vijfhonderd wagens de rivier overgestoken, en het ondiepe water dat door de wielen in beroering is gebracht, is niet goed, het is smerig en troebel. Maar, Heer, de rivier de Kakuttha is dichtbij, met helder, aangenaam, koel, zuiver water, met mooie banken en een heerlijke omgeving. Daar kan de Heer het water drinken en zijn lichaam opfrissen."

4.23. En een tweede keer zei de Heer: "Kom, Ananda, haal wat water voor me. Ik heb dorst en wil wat drinken", en Ananda antwoordde als voorheen.

4.24. En een derde keer zei de Heer: "Kom, Ananda, haal wat water voor me. Ik heb dorst en wil wat drinken." -- "Goed, Heer", antwoordde Ananda de Heer, en hij nam een bedelnap en ging naar de rivier. En de ondiepe rivier waarvan het water dat door de wielen in beroering werd gebracht en niet goed was -- het water dat smerig en troebel was -- ging zuiver, helder en aangenaam stromen toen de Eerwaarde Ananda daar aankwam.

4.25. En de Eerwaarde Ananda dacht: "Het is inderdaad prachtig, het is inderdaad wonderbaarlijk, de bovennatuurlijke kwaliteiten en krachten van de Tathagata! Deze ondiepe rivier waarvan het water dat door de wielen in beroering werd gebracht en niet goed was -- het water dat smerig en troebel was -- ging zuiver, helder en aangenaam stromen toen ik hier aankwam!" En hij deed wat water in de bedelnap en bracht het naar de Heer. Daar vertelde hij zijn gedachten en zei vervolgens tegen de Heer: "Drink het water, Heer! Drink het water, Sugata!" En de Heer dronk het water.

 

Te Pava:    Pukkusa de Malla:
4.26
. Op dat moment liep Pukkusa de Malla, een leerling van Alara Kalama, over de hoofdweg van Kusiņara naar Pava. Toen hij de Heer onder de boom zag zitten, ging hij naar hem toe, begroette hem eerbiedig, ging aan zijn zijde zitten en zei: "Het is prachtig Heer! Het is wonderbaarlijk hoe de staat van kalmte is van hen die de wereld achter zich gelaten hebben!"

4.27. "Eens, Heer, liep Alara Kalama over de hoofdweg en toen hij daarvan af stapte, ging hij daar onder een boom zitten voor zijn middagrust. En vijfhonderd wagens trokken al rammelend voorbij, heel dicht bij hem. En een man die achter hem gelopen had, kwam naar Alara Kalama en zei: 'Heer, zag u zojuist niet vijfhonderd wagens voorbij komen?' -- 'Nee, vriend, dat zag ik niet.' -- 'Maar, hoorde u ze niet, Heer?' -- 'Nee, vriend, ik hoorde hen niet.' -- 'Sliep u dan, Heer?' -- 'Nee, vriend, ik sliep niet.' -- 'Was u dan wel bij bewustzijn, Heer?' -- 'Ja, vriend.' -- 'Dus, Heer, terwijl u bij bewustzijn en wakker was, zag u, noch hoorde u de vijfhonderd wagens die vlakbij aan u voorbij trokken, zelfs niet wanneer uw bovenpij met stof werd bevuild?' -- 'Dat is zo, vriend.'"

"En de man dacht, Heer: 'Het is prachtig! Het is wonderbaarlijk hoe de staat van kalmte is van hen die de wereld achter zich gelaten hebben! Deze asceten zijn zo kalm, dat, ondanks dat zij bij bewustzijn en wakker zijn, vijfhonderd wagens die vlakbij aan hen voorbij trokken, zien noch horen!' En hij vertrok terwijl hij de verheven krachten van Alara Kalama prees."

4.28. Hierop zei de Boeddha: "En, Pukkusa, wat denk je? Wat is moeilijker voor je of wat is moeilijker te verwerven: terwijl je bij bewustzijn en wakker bent, en dan niet vijfhonderd wagens die vlakbij aan je voorbijtrekken zien of horen; of, terwijl je bij bewustzijn en wakker bent, niets zien of horen tijdens een zware regenval, wanneer weerlicht flitst en de bliksem inslaat?"

4.29. "Heer, hoe kan iemand dat vergelijken met het niet zien of horen van vijfhonderd wagens, of zelfs zeshonderd, zevenhonderd, achthonderd, negenhonderd, duizend, of zelfs honderdduizenden wagens? Om niets te zien of te horen tijdens een zware regenval, wanneer weerlicht flitst en de bliksem inslaat, is veel moeilijker!"

4.30. "Eens, Pukkusa, toen ik in Atuma was, verbleef ik in een schuur. En er was een zware regenval, bliksem flitste en de weerlicht sloeg in. Twee boeren die broers van elkaar waren, werden daardoor, samen met vier ossen, dicht bij de schuur gedood. En een heleboel mensen vertrokken vanuit Atuma naar de plaats waar de twee broers en de vier ossen werden gedood."

4.31. "En op dat moment, Pukkusa, was ik naar buiten gegaan en liep daar wat op en neer. Een man uit de menigte kwam naar mij toe, begroette mij en stond aan een zijde. En ik zei tegen hem:

4.32. 'Vriend, waarom hebben al deze mensen zich hier verzameld?' -- 'Heer, er was een zware regenval, bliksem flitste en de weerlicht sloeg in. Twee boeren die broers van elkaar waren, werden daardoor, samen met vier ossen, hier dichtbij gedood. Het is vanwege deze reden waarom al deze mensen zich hier verzameld hebben. Maar waar was u, Heer?' -- 'Ik was hier, vriend.' -- 'Maar wat heeft u gezien, Heer?' -- 'Ik heb niets gezien, vriend.' -- 'Heeft u dan iets gehoord, Heer?' -- 'Ik heb niets gehoord, vriend.' -- 'Sliep u dan, Heer?' -- 'Ik sliep niet, vriend.' -- 'Was u dan bij bewustzijn, Heer?' -- 'Ja, vriend.' -- 'Dus, Heer, terwijl u bij bewustzijn en wakker bent, zag, noch hoorde u de hevige regenval, de stromen en de bliksem en de weerlicht?' -- 'Dat is zo, vriend.'"

4.33. "En, Pukkusa, die man dacht: 'Het is prachtig! Het is wonderbaarlijk hoe de staat van kalmte is van hen die de wereld achter zich gelaten hebben! Deze asceten zijn zo kalm dat, ondanks dat zij bij bewustzijn en wakker zijn, niets zien of horen tijdens een zware regenval, wanneer weerlicht flitst en de bliksem inslaat!' En terwijl hij mijn verheven krachten prees, groette hij mij, hield zijn rechterzijde naar mij gericht, en vertrok."

4.34. Hierop zei Pukkusa de Malla: "Ik verwerp de verheven krachten van Alara Kalama alsof zij weggeblazen worden door een machtige wind of afgevoerd worden door de snelle stroom van een rivier! "Het is verbazingwekkend, Heer, het is wonderbaarlijk, Heer! Net zoals iemand rechtzet wat op z'n kop staat, openbaar maakt wat verborgen was, of de weg wijst aan hem die verdwaald is, of een lamp omhoog houdt in de duisternis zodat zij die ogen hebben dingen zullen zien; net zo is de Dhamma door de Gezegende op vele manieren uitgelegd! Daarom, neem ik mijn toevlucht in hem, in zijn Dhamma en in zijn Sangha. Dat de Gezegende mij als een volgeling moge aannemen als iemand die zijn toevlucht heeft genomen vanaf deze dag tot het einde van zijn leven!"

4.35. Toen zei Pukkusa tegen een zekere man: "Ga voor mij twee sets goudkleurige gewaden halen, die gladgestreken zijn en gereed zijn om te dragen." -- "Goed, heer", zei de man. En toen de gewaden waren gebracht, offerde Pukkusa van de Malla clan, de gewaden aan de Heer met de woorden: "Hier, Heer, zijn twee sets gewaden van fijne gouddraad. Moge de Gezegende deze uit mededogen van mij aannemen!" -- "Goed dan, Pukkusa, kleed mij in de ene set, en Ananda in de andere."-- "Goed, Heer", zei Pukkusa, waarop hij de Gezegende in de ene set kleedde en de Eerwaarde Ananda in de andere set.

4.36. Toen instrueerde, inspireerde, verkwikte en verblijdde de Heer Pukkusa de Malla met een gesprek over de Dhamma. Toen stond Pukkusa van zijn zitplaats op, groette de Heer, en terwijl hij zijn rechterzijde naar hem toegekeerd hield, vertrok hij.

4.37. Spoedig nadat Pukkusa was vertrokken en Ananda een set van de gewaden over het lichaam van de Heer geordend had, bemerkte hij dat het gewaad tegen het lichaam van de Heer er dof uitzag. En hij zei: "Het is prachtig, Heer, het is wonderbaarlijk hoe helder en stralend de huid van de Heer eruit ziet! Die ziet er zelfs stralender uit dan de gouden gewaden waarin het lichaam gehuld is!"

"Ja, Ananda, dat is zo. Er zijn twee tijden waarop de huid van de Tathagata er helder en stralend uitziet. Welke zijn deze twee? Het ene is de nacht waarop de Tathagata de onvergelijkbare verheven verlichting verwerft; het andere is waarop hij het Nibbana-element zonder overblijfsel bereikt bij zijn uiteindelijke heengaan. Dit zijn de twee tijden, Ananda, waarop het lichaam van de Tathagata er bijzonder helder en stralend uitziet."

4.38. "En vandaag, Ananda, in de laatste wake van de nacht, zal in het Sala park van de Malla's bij Kusiņara, tussen twee sala bomen, het uiteindelijke heengaan van de Tathagata plaatsvinden. Ananda, laat ons nu naar de rivier de Kakuttha gaan." -- "Goed, Heer", was Ananda's antwoord.

Twee gouden gewaden was de gave van Pukkusa:
maar het lichaam van de Leraar
straalde intenser dan deze kleding.

 

Te Pava:    bij de rivier de Kakuttha:
4.39
. Vervolgens ging de Heer, samen met een grote schare monniken, naar de rivier de Kakuttha. Daar ging hij het water in, nam hij een bad en dronk. Toen hij uit het water gekomen was, ging hij naar een mango bos en zei tegen de Eerwaarde Cundaka: "Kom, Cundaka, vouw mijn gewaad in vieren en breng een ligplaats voor mij in gereedheid. Ik ben moe en wil gaan liggen." -- "Goed, Heer", gaf de Eerwaarde Cundaka ten antwoord, en hij vouwde het gewaad in vieren en legde het op de grond.

4.40. En de Heer ging op zijn rechterzij liggen in de rustpositie van een leeuw, zijn ene voet op de andere plaatsend, oplettend en helder van begrip terwijl hij de tijd bepaalde van opstaan. En de Eerwaarde Cundaka zat op de grond voor de Heer.

4.41.

De Boeddha kwam naar de rivier de Kakuttha,
met haar zuivere, aangename, heldere wateren.

Daarin dompelde de Leraar zijn vermoeide lichaam.
De Tathagata -- onvergelijkbaar in de wereld.

Omringd door de monniken van wie hij de Leider was,
de Leraar, de Heer, de belichaming van de Dhamma,
ging de Grote Wijze naar het mango bos.

En tot de monnik Cundaka, zei hij:
"Leg alstublieft mijn gewaad in vieren gevouwen op de grond,
ik wil gaan liggen."
En zo snel als een weerlicht inslaat, haastte de ouderling zich
om aan het verzoek van de Meester te gehoorzamen.

De Leraar legde zijn vermoeide lichaam neer,
en Cundaka zat voor hem op de grond.

 

Te Pava:    hoe Cunda van zijn berouw bevrijd wordt:
4.42
. En de Heer sprak tot de Eerwaarde Ananda: "Het kan gebeuren, Ananda, dat iemand bij Cunda de smid, wroeging zou verwekken door te zeggen: 'Het is kwaad voor u, Cunda, en verlies voor u, dat de Tathagata stierf, nadat hij zijn laatste maal van u ontvangen had.' Elk zodanig gevoel van wroeging, Ananda, in Cunda de smid, behoort verdreven te worden door te zeggen: 'Het is winst voor u Cunda, en zegening voor u, dat de Tathagata stierf na zijn laatste maal van u ontvangen te hebben. Want, vriend Cunda, uit de mond van de Gezegende zelf, heb ik dit gehoord en begrepen: 'Er zijn twee offergaven van voedsel die van gelijke vruchten zijn, die hetzelfde voordeel bieden en vruchtbaarder en voordeliger zijn dan iedere andere voedselgaven. Welke zijn deze twee? De ene is de gave van voedsel die hij aanneemt nadat de Tathagata de onvergelijkbare verheven verlichting verworven heeft; de andere is de gave van voedsel die hij aanneemt wanneer hij het Nibbana-element zonder overblijfsel heeft bereikt bij zijn uiteindelijke heengaan. Deze twee offergaven van voedsel zijn van gelijke vruchten, en bieden hetzelfde voordeel en zijn vruchtbaarder en voordeliger dan iedere andere voedselgaven. Er is door Cunda een kamma vergaard, dat strekt tot een lang leven, tot schoonheid, tot voorspoed, tot een hemelse sfeer, tot een goede naam en tot grote macht.' Op deze wijze, Ananda, moet ieder gevoel van wroeging in Cunda de smid worden verdreven."

4.43. Toen de Heer deze zaak rechtgezet had en de betekenis ervan begreep, uitte de Heer op dat moment deze geīnspireerde uitspraak:

"Verdiensten vermeerderen voor iemand die geeft;
door zelfbeheersing heeft men haat onder controle.
Iemand die goed getraind is, verlaat slechte daden.

Wanneer hartstocht, haat en begoocheling zijn uitgeput,
komt iemand tot Vrede."

 

.

.

.

.

.

   
   

 

Dharma-lotus is onderdeel van Reiki-Lotus, een Reiki- en meditatiepraktijk in Breda welk  werkt vanuit een Boeddhistische visie. U kunt contact met ons opnemen op info@Dharma-lotus.com.
Deze website is gebouwd door Ivar Mol, Ivar@reiki-lotus.com
Op alle artikelen rust een auteursrecht.