28 mei - 8 juni: Vipassana en wandel retraite in  Frankrijk  |  Lees hier meer...

Reiki

Chios

Tantra

Sweda

Retraite

Spiriwiki

   

Maha Parinibbana Soetra, Hoofdstuk 3: 
Het afstand doen van de wil om langer te leven

 

.

.

.

 

De Gezegende spoort aan:
3.1
. Toen de Heer vroeg in de morgen was opgestaan, zich aangekleed had en zijn bedelnap en gewaad genomen had, liep hij Vesali binnen voor de voedselronde. Na zijn terugkeer van de voedselronde en na de maaltijd, sprak hij tot de Eerwaarde Ananda: "Neem een kleed, Ananda, en laat ons de dag op de heilige plek Capala doorbrengen." --- "Goed, Heer", antwoordde Ananda, en hij nam een kleed en volgde de Gezegende.

3.2. En de Gezegende ging naar de Capala plaats en ging daar op de zetel zitten die voor hem in gereedheid was gebracht. Nadat de Eerwaarde Ananda aan zijn zijde was gaan zitten en de Gezegende eerbiedig begroet had, zei de Heer tegen hem: "Vesali, Ananda, is aangenaam, en aangenaam zijn de heilige plaatsen Udena, Gotamaka, Sattambaka, Bahuputta, Sarandada en Capala."

3.3. "Ananda, wie dan ook de vier wegen naar kracht ontwikkeld heeft, hen regelmatig beoefend heeft, van hen zijn voertuig gemaakt heeft, van hen zijn fundament gemaakt heeft, hen verankerd heeft, hen zich eigen gemaakt heeft en er op de juiste manier mee verbonden is, kan ongetwijfeld, indien hij dat wil, een eeuw leven of tot de rest ervan. De Tathagata, Ananda, heeft deze wegen naar kracht ontwikkeld. Daarom kan de Tathagata, indien hij dat wil, een eeuw leven of tot de rest ervan."

3.4. Maar de Eerwaarde Ananda was niet in staat deze duidelijke suggestie, dit duidelijke gebaar te begrijpen dat door de Gezegende werd aangereikt. En omdat zijn geest zó door Mara in beslag werd genomen, smeekte hij de Heer niet: "Heer, laat de Gezegende een eeuw blijven! Laat de Gelukkige tot het einde van een eeuw blijven Heer, voor het welzijn en het geluk van de mensheid, uit mededogen voor de wereld, voor het voordeel, het welzijn en geluk van goden en mensen!"

3.5. En zelfs toen de Gezegende voor een tweede en een derde keer zijn woorden had herhaald, bleef de Eerwaarde Ananda zwijgen.

3.6. Toen zei de Gezegende tot Ananda: "Ga nu, Ananda, en doe wat je denkt dat passend is." -- "Goed, Heer." En de Eerwaarde Ananda stond van zijn zitplaats op, groette de Heer op respectvolle wijze, en terwijl hij zijn rechterzijde naar hem gericht hield, nam hij plaats onder een boom, even verderop.

 

De smeekbede van Mara:
3.7
. En al gauw nadat Ananda vertrokken was, kwam Mara de Kwade naar de Heer, ging aan zijn zijde staan en zei: "Heer, laat de Gezegende nu overgaan tot het uiteindelijke heengaan! De tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Tathagata is gekomen! Nu is het de tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Gezegende! Want de Gezegende heeft dit gezegd: 'Kwade, ik zal niet overgaan tot het uiteindelijke heengaan totdat mijn monniken en nonnen, lekenmannen en lekenvrouwen, ware discipelen zijn geworden -- wijs, goed gedisciplineerd, vaardig en geleerd, kenners van de Dhamma, die in overeenstemming met de Dhamma leven, volgens een passend gedrag leven; en nadat zij de woorden van hun Meester geleerd hebben, in staat zijn deze te verkondigen, in detail uit te leggen en te verduidelijken; totdat zij in staat zijn verkeerde leerstellingen die zijn ontstaan, met het licht van de Dhamma te verwerpen en deze overtuigende en bevrijdende Dhamma te onderwijzen.'"

3.8. "En nu, Heer, zijn monniken en nonnen, lekenmannen en lekenvrouwen ware discipelen van de Gezegende geworden -- wijs, goed gedisciplineerd, vaardig en geleerd, kenners van de Dhamma, die in overeenstemming met de Dhamma leven, volgens een passend gedrag leven; en nadat zij de woorden van hun Meester geleerd hebben, in staat zijn deze te verkondigen, in detail uit te leggen en te verduidelijken; totdat zij in staat zijn verkeerde leerstellingen die zijn ontstaan, met het licht van de Dhamma te verwerpen en deze overtuigende en bevrijdende Dhamma te onderwijzen. Laat de Gezegende nu overgaan tot het uiteindelijke heengaan! De tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Tathagata is gekomen! Nu is het de tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Gezegende! En de Gezegende heeft ook gezegd: 'Kwade, ik zal niet overgaan tot het uiteindelijke heengaan, totdat dit heilige leven dat door mij onderwezen is, gezegevierd heeft, bloeiend is, wijd en zijd goed bekend is geworden en onder goden en mensen goed verkondigd is.' En dit is allemaal op deze wijze uitgekomen. Dus, Heer, laat de Gezegende nu overgaan tot het uiteindelijke heengaan! De tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Tathagata is gekomen! Nu is het de tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Gezegende!"

 

De Gezegende geeft zijn wil om verder te leven op:
3.9
. Hierop sprak de Heer tot Mara, de Kwade: "Maak je niet druk, Kwade. Het uiteindelijke heengaan van de Tathagata zal niet lang meer uitblijven. Over drie maanden zal de Tathagata overgaan tot zijn uiteindelijke heengaan."

3.10. En zo gaf de Gezegende indachtig en met volledig gewaarzijn, bij de Capala plaats zijn wil op om verder te leven. En vanwege het feit dat de Heer zijn wil opgaf om verder te leven, vond er een hevige aardbeving plaats, verschrikkelijk, beangstigend, welke met donderslagen die door de lucht rolden gepaard ging. En de Gezegende aanschouwde dit met begrip, en sprak toen dit verheven vers uit:

"Grote en kleine dingen die het leven veroorzaken
-- die het proces zijn van worden --
deze worden door de wijze allemaal achtergelaten.
Met innerlijke kalmte en vreugde
doet hij de ijzeren mantel van het worden uiteen barsten."

3.11. En de Eerwaarde Ananda dacht: "Het is prachtig, het is wonderbaarlijk hoe deze grote aardbeving ontstaat, deze verschrikkelijk aardbeving die zo beangstigend is en gepaard gaat met donderslagen die door de lucht rollen! Wat kan daarvan de reden zijn, wat de oorzaak, dat een aardbeving van deze omvang plaatsvindt?"

 

Acht oorzaken van aardbevingen:
3.12
. En de Eerwaarde Ananda ging naar de Gezegende, groette hem op eerbiedwaardige wijze en ging aan zijn zijde zitten. Toen sprak hij de Gezegende aan met de woorden: "Het is prachtig, het is wonderbaarlijk hoe deze grote aardbeving ontstaat, deze verschrikkelijke aardbeving die zo beangstigend is en die gepaard gaat met donderslagen die door de lucht rollen! Wat kan daarvan de reden zijn, wat de oorzaak, dat een aardbeving van deze omvang plaatsvindt?"

3.13. "Ananda, er zijn acht redenen, acht oorzaken waardoor een machtige aardbeving ontstaat. Deze grote aarde is ingesteld op water, het water op de atmosfeer, en de atmosfeer op de ruimte. Als er, Ananda, een machtige atmosferische verstoring plaatsvindt, brengt dit het water in beroering; door het water dat in beroering wordt gebracht, beeft de aarde. Dit is de eerste reden, de eerste oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

3.14. "En in de tweede plaats, Ananda, is er een asceet of een heilige man van grote macht, iemand die meester is over zijn geest, of een machtige en vooraanstaande deva die een intense concentratie ontwikkelt op het beperkte aspect van het aarde-element en een intense concentratie ontwikkelt op de onbegrensde graad van het waterelement. Ook hij, is er de oorzaak van dat de aarde beeft, siddert en schudt. Dit is de tweede reden, de tweede oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

3.15. "En, Ananda, wanneer een Bodhisatta uit de Tusita hemel vertrekt en afdaalt in de baarmoeder van zijn moeder, indachtig en volledig gewaar, dan beeft, siddert en schudt de aarde. Dit is de derde reden, de derde oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

3.16. "En, Ananda, wanneer een Bodhisatta uit de baarmoeder van zijn moeder tevoorschijn komt, indachtig en volledig gewaar, dan beeft, siddert en schudt de aarde. Dit is de vierde reden, de vierde oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

3.17. "En, Ananda, wanneer de Tathagata de onvergelijkbare verlichting verwerft, dan beeft, siddert en schudt de aarde. Dit is de vijfde reden, de vijfde oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

3.18. "En, Ananda, wanneer de Tathagata het Wiel van de Dhamma in beweging zet, dan beeft, siddert en schudt de aarde. Dit is de zesde reden, de zesde oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

3.19. "En, Ananda, wanneer de Tathagata, indachtig en volledig gewaar, de wil verzaakt om verder te leven, dan beeft, siddert en schudt de aarde. Dit is de zevende reden, de zevende oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

3.20. "En, Ananda, wanneer de Tathagata het Nibbana element verwerft zonder overblijfsel, dan beeft, siddert en schudt de aarde. Dit is de achtste reden, de achtste oorzaak die machtige aardbevingen doet ontstaan."

 

De acht bijeenkomsten:
3.21
. "Er zijn, Ananda, acht soorten van bijeenkomsten, dat wil zeggen, bijeenkomsten van Khattiya's, bijeenkomsten van brahmanen, bijeenkomsten van huishouders, bijeenkomsten van asceten, bijeenkomsten van deva's van het rijk van de Vier Grote Koningen, bijeenkomsten van de Drieëndertig Goden, van Mara's en van Brahma's."

3.22. "En ik herinner mij nog goed, Ananda, hoe ik vele honderden bijeenkomsten van Khattiya's bijwoonde. En voordat ik bij hen ging zitten, voordat ik tot hen sprak en me in hun gesprek mengde, deed ik mijn verschijning en mijn spraak op die van hen gelijken, hoe dat ook mocht zijn. En ik instrueerde, inspireerde, verkwikte en verblijdde hen met een gesprek over de Dhamma. Maar toen ik met hen sprak, kenden zij mij niet en vroegen zij zichzelf niet af: 'Wie is dat die zo spreekt? Is dat een deva of een mens?' En nadat ik hen de Dhamma had onderwezen, hen geïnspireerd had, hen verkwikt had en hen verblijd had met een gesprek over de Dhamma, verdween ik. En ook nadat ik verdwenen was, kenden zij mij niet en vroegen zij zichzelf niet af: 'Wie was dat die verdwenen is? Was het een deva of een mens?'"

3.23. "En ik herinner mij nog goed, Ananda, hoe ik vele honderden bijeenkomsten van brahmanen, bijeenkomsten van huishouders, bijeenkomsten van asceten, bijeenkomsten van deva's van het rijk van de Vier Grote Koningen, bijeenkomsten van de Drieëndertig Goden, van Mara's en van Brahma's bijwoonde. En voordat ik bij hen ging zitten kenden zij mij niet en vroegen zij zichzelf niet af: 'Wie was dat die verdwenen is? Was dat een deva of een mens?'"

"Dat, Ananda, zijn de acht bijeenkomsten."

 

De acht fases van meesterschap:
3.24
. "Ananda, er zijn acht fases van meesterschap. Welke zijn deze?"

3.25. "Terwijl iemand innerlijke vormen waarneemt, ziet hij ook externe vormen, klein, mooi of lelijk; en omdat hij ze meester is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de eerste fase van meesterschap."

3.26. "Terwijl iemand innerlijke vormen waarneemt, ziet hij ook externe vormen, groot, mooi of lelijk; en omdat hij ze meester is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de tweede fase van meesterschap."

3.27. "Terwijl iemand geen innerlijke vormen waarneemt, ziet hij externe vormen, klein, mooi of lelijk; en omdat hij ze meester is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de derde fase van meesterschap."

3.28. "Terwijl iemand geen innerlijke vormen waarneemt, ziet hij externe vormen, groot, mooi of lelijk; en omdat hij ze meester is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de vierde fase van meesterschap."

3.29. "Terwijl iemand geen innerlijke vormen waarneemt, ziet hij externe vormen die blauw zijn, die een blauwe kleur hebben, die een blauwe glans hebben. Net zoals de bloesem van vlas die blauw is, die een blauwe kleur heeft, die een blauwe glans heeft; of zoals een doek uit Benares die zacht is aan beide zijden en die blauw is, die een blauwe kleur heeft, die een blauwe glans heeft. Wanneer iemand externe vormen ziet die blauw zijn en er meester over is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de vijfde fase van meesterschap."

3.30. "Terwijl iemand geen innerlijke vormen waarneemt, ziet hij externe vormen die geel zijn, die een gele kleur hebben, die een gele glans hebben. Net zoals de fijne bloesem van de Kanikara die geel is, die een gele kleur heeft, die een gele glans heeft; of zoals een doek uit Benares die zacht is aan beide zijden en die geel is, die een gele kleur heeft, die een gele glans heeft. Wanneer iemand externe vormen ziet die geel zijn en er meester over is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de zesde fase van meesterschap."

3.31. "Terwijl iemand geen innerlijke vormen waarneemt, ziet hij externe vormen die rood zijn, die een rode kleur hebben, die een rode glans hebben. Net zoals de bloesem van de Bandhujivaka die rood is, die een rode kleur heeft, die een rode glans heeft; of zoals een doek uit Benares die zacht is aan beide zijden en die rood is, die een rode kleur heeft, die een rode glans heeft. Wanneer iemand externe vormen ziet die rood zijn en er meester over is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de zevende fase van meesterschap."

3.32. "Terwijl iemand geen innerlijke vormen waarneemt, ziet hij externe vormen die wit zijn, die een witte kleur hebben, die een witte glans hebben. Net zoals de morgenster Osadhi die wit is, die een witte kleur heeft, die een witte glans heeft; of zoals een doek uit Benares die zacht is aan beide zijden en die wit is, die een witte kleur heeft, die een witte glans heeft. Wanneer iemand externe vormen ziet die wit zijn en er meester over is, is hij gewaar dat hij ze waarneemt en ze kent zoals ze werkelijk zijn. Dit is de achtste fase van meesterschap."

"Dit, Ananda, zijn de acht fases van meesterschap."

 

De acht bevrijdingen:
3.33
. "Ananda, er zijn acht bevrijdingen. Welke zijn deze?"

"Terwijl men zelf vorm heeft, neemt men externe vormen waar. Dit is de eerste bevrijding."

"Terwijl men zijn eigen vorm niet gewaar is, neemt men externe vormen waar. Dit is de tweede bevrijding."

"Wanneer men denkt: 'het is mooi', heeft men het opgemerkt. Dit is de derde bevrijding."

"Door volledig de waarneming van vorm voorbij te gaan, door de verdwijning van de waarnemingen van de zintuiglijke reacties en door geen aandacht meer te schenken aan de verscheidenheid aan waarnemingen, gaat en verblijft hij in de sfeer van oneindige ruimte. Dit is de vierde bevrijding."

"Door volledig de sfeer van oneindige ruimte voorbij te gaan, gaat en verblijft hij in de sfeer van oneindig bewustzijn. Dit is de vijfde bevrijding."

"Door volledig de sfeer van oneindig bewustzijn voorbij te gaan, gaat en verblijft hij in de sfeer van niets-heid. Dit is de zesde bevrijding."

"Door volledig de sfeer van niets-heid voorbij te gaan, gaat en verblijft hij in de sfeer van noch waarnemen noch niet waarnemen. Dit is de zevende bevrijding."

"Door volledig de sfeer van waarnemen noch niet waarnemen voorbij te gaan, gaat en verblijft hij in de opheffing van waarneming en gevoel. Dit is de achtste bevrijding.

"Dit, Ananda, zijn de acht bevrijdingen."

 

Mara's voormalige verzoek:
3.34
. "Eens, Ananda, verbleef ik te Uruvela, op de bank van de rivier de Nerañjara, aan de voet van de geitherders boom, kort na mijn verheven verlichting. En Mara, de Kwade, benaderde mij en zei: 'Heer, laat de Gezegende nu overgaan tot het uiteindelijke heengaan! De tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Tathagata is gekomen! Nu is het de tijd voor het uiteindelijke heengaan van de Gezegende!'"

3.35. "Toen, Ananda, antwoordde ik Mara, de Kwade, met de woorden: 'Kwade, ik zal niet overgaan tot het uiteindelijke heengaan totdat mijn monniken en nonnen, lekenmannen en lekenvrouwen, ware discipelen zijn geworden -- wijs, goed gedisciplineerd, vaardig en geleerd, kenners van de Dhamma, die in overeenstemming met de Dhamma leven en volgens een passend gedrag leven; en nadat zij de woorden van hun Meester geleerd hebben, in staat zijn deze te verkondigen, in detail uit te leggen en te verduidelijken; totdat zij in staat zijn verkeerde leerstellingen die zijn ontstaan, met het licht van de Dhamma te verwerpen en deze overtuigende en bevrijdende Dhamma te onderwijzen. Kwade, ik zal niet overgaan tot het uiteindelijke heengaan, totdat dit heilige leven dat door mij onderwezen is, gezegevierd heeft, bloeiend is, wijd en zijd goed bekend is en onder goden en mensen goed verkondigd is.'"

3.36. "En vandaag, Ananda, benaderde Mara mij wederom bij de Capala plaats, ging aan mijn zijde staan en zei: 'Heer, laat de Gezegende nu overgaan. Want de Gezegende heeft dit gezegd: 'Kwade, ik zal niet overgaan tot het uiteindelijke heengaan totdat mijn monniken en nonnen. En nu, Heer, zijn monniken en nonnen, lekenmannen en lekenvrouwen ware discipelen van de Gezegende geworden -- wijs, goed gedisciplineerd.'"

3.37. "En toen, Ananda, antwoordde ik Mara de Kwade, met de woorden: 'Maak je niet druk, Kwade. Het uiteindelijke heengaan van de Tathagata zal niet lang meer uitblijven. Over drie maanden zal de Tathagata overgaan tot zijn uiteindelijke heengaan.' En op deze wijze, Ananda, heeft de Tathagata bij de Capala plaats, indachtig en volledig gewaar, zijn wil om verder te leven, opgegeven."

 

De smeekbede van Ananda:
3.38
. Hierop zei de Eerwaarde Ananda: "Heer, laat de Gezegende een eeuw blijven! Laat de Gelukkige tot het einde van een eeuw blijven Heer, voor het welzijn en het geluk van de mensheid, uit mededogen voor de wereld, voor het voordeel, het welzijn en geluk van goden en mensen!"

"Genoeg, Ananda! Smeek de Tathagata niet! Want de tijd, Ananda, voor deze smeekbede is voorbij!"

3.39. Maar voor een tweede en derde keer deed Ananda toch dit verzoek: "Heer, laat de Gezegende een eeuw blijven! Laat de Gelukkige tot het einde van een eeuw blijven Heer, voor het welzijn en het geluk van de mensheid, uit mededogen voor de wereld, voor het voordeel, het welzijn en geluk van goden en mensen!"

Toen sprak de Gezegende tot Ananda: "Ananda, geloof jij in de verlichting van de Tathagata?"

"Ja, Heer, dat doe ik!"

"Waarom dan, Ananda, val je de Tathagata tot driemaal toe lastig met ditzelfde verzoek?"

3.40. "Omdat ik, Heer, van de Gezegende zelf gehoord en begrepen heb dat toen de Gezegende tegen mij zei: 'Ananda, wie dan ook de vier wegen naar kracht ontwikkeld heeft, deze regelmatig beoefend heeft, hiervan zijn voertuig gemaakt heeft, hiervan zijn fundament gemaakt heeft, deze verankerd heeft, deze zich eigen gemaakt heeft en er op de juiste manier mee verbonden is, kan ongetwijfeld, indien hij dat wil, een eeuw leven of tot de rest ervan. De Tathagata, Ananda, heeft deze wegen naar kracht ontwikkeld. Daarom kan de Tathagata, indien hij dat wil, een eeuw leven of tot de rest ervan.'"

"En geloofde jij dat, Ananda?"

"Ja, Heer, dat deed ik."

"Dan, Ananda, ligt de fout bij jou. Je hebt hierin gefaald omdat jij niet in staat was deze duidelijke suggestie, dit duidelijke gebaar te begrijpen dat jou door de Gezegende werd aangereikt en dat je de Tathagata niet gesmeekt hebt om langer te blijven. Want als je dat wel gedaan zou hebben, Ananda, zou de Tathagata je smeekbede de tweede keer geweigerd hebben, maar de derde keer zou hij ingestemd hebben. Daarom, Ananda, ligt de fout bij jou. Hierin heb je gefaald."

3.41. "Eens, Ananda, verbleef ik te Rajagaha op de Gierenpiek en zei ik tegen je: 'Aangenaam, Ananda, is Rajagaha; aangenaam is de Gierenpiek. Ananda, wie dan ook de vier wegen naar kracht ontwikkeld heeft (...). Daarom kan de Tathagata, indien hij dat wil, een eeuw leven of tot de rest ervan.'"

"Maar jij, Ananda, was niet in staat om deze duidelijke suggestie, dit duidelijke gebaar te begrijpen dat jou door de Gezegende werd aangereikt en je smeekte de Tathagata niet om langer te blijven. Als je dat wel gedaan zou hebben, Ananda, zou de Tathagata je smeekbede de tweede keer geweigerd hebben, maar de derde keer zou hij ingestemd hebben. Daarom, Ananda, ligt de fout bij jou. Hierin heb je gefaald."

3.42. "En ook in het Nigrodha Bos, op de Rovers Rots, in de Sattapanni Grot, op de Vebhara Berg, bij de Zwarte Rots van Isigili, bij de Slangenvijver in het Koele Woud, in het Topada Bos, in het Bamboe Bos bij de Eekhoorn Voederplaats, in Jivaka's Mango Bos, en ook te Rajagaha in het Maddakucchi hertenpark."

3.43. "Op al deze plaatsen, Ananda, heb ik tegen je gezegd: 'Aangenaam, Ananda, is Rajagaha; aangenaam zijn deze plaatsen.'"

3.44. "'Ananda, wie dan ook de vier wegen naar kracht ontwikkeld heeft. Daarom kan de Tathagata, indien hij dat wil, een eeuw leven of tot de rest ervan.'"

"Maar jij, Ananda, was niet in staat om deze duidelijke suggestie, dit duidelijke gebaar te begrijpen dat jou door de Gezegende werd aangereikt en je smeekte de Tathagata niet om langer te blijven. Als je dat wel gedaan zou hebben, Ananda, zou de Tathagata je smeekbede de tweede keer geweigerd hebben, maar de derde keer zou hij ingestemd hebben. Daarom, Ananda, ligt de fout bij jou. Hierin heb je gefaald."

3.45. "En ook te Vesali, Ananda, bij het Udena heiligdom."

3.46. "En ook te Vesali, Ananda, bij het Gotamaka heiligdom, het Sattambaka heiligdom, het Bahuputta heiligdom, het Sarandada heiligdom, heb ik tegen je gezegd: 'Deze plaatsen, Ananda, zijn aangenaam.'"

3.47. "En vandaag, Ananda, bij het Capala heiligdom, heb ik tegen je gezegd: 'Vesali, Ananda, is aangenaam; aangenaam zijn de heilige plaatsen Udena, Gotamaka, Sattambaka, Bahuputta, Sarandada en Capala. Ananda, wie dan ook de vier wegen naar kracht ontwikkeld heeft. Daarom kan de Tathagata, indien hij dat wil, een eeuw leven of tot de rest ervan.'"

"Maar jij, Ananda, was niet in staat om deze duidelijke suggestie, dit duidelijke gebaar te begrijpen dat jou door de Gezegende werd aangereikt en je smeekte de Tathagata niet om langer te blijven. Als je dat wel gedaan zou hebben, Ananda, zou de Tathagata je smeekbede de tweede keer geweigerd hebben, maar de derde keer zou hij ingestemd hebben. Daarom, Ananda, ligt de fout bij jou. Hierin heb je gefaald."

3.48. "Ananda, heb ik niet reeds vanaf het allereerste begin verteld, dat alles wat ons dierbaar en lief is aan verandering onderhevig is, dat wij hiervan moeten scheiden en dat deze dingen veranderen? Van datgene wat geboren is, geworden is, samengesteld is, onderhevig aan verval is, hoe kan iemand, Ananda, daarvan zeggen: 'Dat dit niet tot ontbinding zal komen!' Zulk een toestand van dingen kan niet bestaan! En van datgene, Ananda, dat de Tathagata verzaakt heeft, dat hij in de steek gelaten heeft, dat hij opgegeven en uitgeworpen heeft -- waarmee hij zijn wil om verder te leven opgegeven heeft -- is het woord van de Tathagata voor eens en voor altijd gesproken: 'Het uiteindelijke heengaan van de Tathagata zal niet lang meer uitblijven. Over drie maanden zal de Tathagata overgaan tot zijn uiteindelijke heengaan.' En dat de Tathagata zulk een verklaring terug zou nemen voor de wil om verder te leven, is niet mogelijk."

 

De laatste aansporing:
"Kom nu, Ananda, laat ons naar de Gewelfde Hal gaan, in het Grote Woud." -- "Goed, Heer."

3.49. En de Heer ging met de Eerwaarde Ananda naar de Gewelfde Hal in het Grote woud. Toen hij daar aankwam, zei hij: "Ananda, ga naar de monniken die in de omgeving van Vesali verblijven, en roep hen bijeen bij de vergaderhal." -- "Goed, Heer", zei Ananda, en hij deed wat hem gevraagd was. Daarna kwam hij naar de Heer, groette hem, stond aan zijn zijde en zei: "Heer, de orde van monniken is bijeengekomen. Het is nu tijd voor de Heer om te doen wat hij vindt dat goed is."

3.50. Daarop trad de Heer de vergaderhal binnen en toen hij plaats genomen had op de zetel die voor hem in gereedheid was gebracht, spoorde hij de monniken aan met de woorden: "Welnu, monniken, ik zeg jullie, dat jullie deze leerstellingen, waarvan ik directe kennis bezit en die ik aan jullie bekend gemaakt heb -- door en door moeten leren, cultiveren, ontwikkelen en met regelmaat moeten beoefenen zodat het heilige leven gevestigd zal zijn om lange tijd voort te kunnen duren, voor het welzijn en het geluk van de mensheid, uit mededogen voor de wereld, voor het voordeel, het welzijn en geluk van goden en mensen!"

"En welke, monniken, zijn deze leerstellingen? Het zijn de vier fundamenten van indachtigheid), de vier juiste inspanningen, de vier wegen naar kracht, de vijf spirituele vermogens, de vijf krachten, de zeven factoren van verlichting en het Edele Achtvoudige Pad. Dit, monniken, zijn de leerstellingen waarvan ik directe kennis bezit en die ik aan jullie bekend gemaakt heb -- welke jullie door en door moeten leren, cultiveren, ontwikkelen en met regelmaat moeten oefenen zodat het heilige leven gevestigd zal zijn om lange tijd voort te kunnen duren, voor het welzijn en het geluk van de mensheid, uit mededogen voor de wereld, voor het voordeel, het welzijn en geluk van goden en mensen!"

3.51. En toen (in de Gewelfde hal) zei de Heer tegen de monniken: "Monniken, ik spoor jullie aan: alle samengestelde dingen zijn onderhevig aan verval! Streef daarom met grote vastberadenheid! De tijd voor het Parinibbana van de Tathagata is dichtbij. Over drie maanden vanaf nu, zal de Tathagata geheel verdwijnen."

En toen hij deze woorden gesproken had, zei de Tathagata, de Meester, nogmaals:

"Mijn leven zit erop.
De rest van de levensspanne is kort.

Ik ga heen van jullie;
ik heb van mezelf mijn eigen toevlucht gemaakt.

Wees onvermoeibaar, monniken, indachtig
en van zuivere discipline!

Bewaak jullie eigen geest
met krachtige vastberadenheid!

Hij, die onvermoeibaar de Dhamma en de Discipline naleeft,
zal voorbij de ronden van geboorten gaan
en een einde aan lijden maken."

 

.

.

.

.

.

   
   

 

Dharma-lotus is onderdeel van Reiki-Lotus, een Reiki- en meditatiepraktijk in Breda welk  werkt vanuit een Boeddhistische visie. U kunt contact met ons opnemen op info@Dharma-lotus.com.
Deze website is gebouwd door Ivar Mol, Ivar@reiki-lotus.com
Op alle artikelen rust een auteursrecht.