28 mei - 8 juni: Vipassana en wandel retraite in  Frankrijk  |  Lees hier meer...

Reiki

Chios

Tantra

Sweda

Retraite

Spiriwiki

   

Maha Parinibbana Soetra, Hoofdstuk 1: In Magadha

 

 

 

In Magadha:
1.1
. Aldus heb ik gehoord. Eens verbleef de Heer te Rajagaha op de Gijjhakuta. Op dat moment overwoog koning Ajatasattu Vedehiputta van Magadha, om de Vajji's aan te vallen. Hij zei: "Ik zal de Vajji's die zo machtig zijn, verslaan; ik zal hen uitroeien, ik zal hen doen verdwijnen, ik zal hen volledig vernietigen!"

1.2. En koning Ajatasattu zei tegen zijn hoofdminister, de brahmaan Vassakara: "Brahmaan, ga naar de Gezegende Heer en betuig hem hulde uit mijn naam met je hoofd aan zijn voeten, vraag of hij vrij is van ziekten en kwalen, of hij makkelijk leeft, gezond en comfortabel, en zeg dan: "Heer, koning Ajatasattu Vedehiputta van Magadha overweegt de Vajji's aan te vallen en hij zegt: 'Ik zal de Vajji's verslaan; ik zal hen uitroeien, ik zal hen doen verdwijnen, ik zal hen volledig vernietigen!'" En wat er jou ook door de Heer wordt meegedeeld, breng dat op geloofwaardige wijze aan mij over, want Tathagata's liegen nooit."

1.3. "Goed, Sire", zei Vassakara, en beval hij dat er een groot aantal rijtuigen in gereedheid gebracht moesten worden. Nadat de statige rijtuigen aangespannen waren, besteeg hij er één van en reed in pracht en praal Rajagaha uit, op weg naar de Gierenpiek. Hij reed met zijn rijtuig tot zover dat de ondergrond dat toeliet, en vervolgde toen te voet zijn weg naar de plek waar de Heer was. Nadat hij vriendelijke begroetingen met de Heer had uitgewisseld, ging hij aan zijn zijde zitten en sprak de Gezegende aan met de woorden: "Eerwaarde Gotama, Ajatasattu Vedehiputta, de koning van Magadha, betuigt hulde met zijn hoofd aan de voeten van de Eerwaarde Gotama en wenst u vrijheid van ziekten en kwalen, dat u gemakkelijk leeft, gezond en comfortabel. Heer, koning Ajatasattu Vedehiputta van Magadha overweegt de Vajji's aan te vallen want hij zegt: 'Ik zal de Vajji's verslaan; ik zal hen uitroeien, ik zal hen doen verdwijnen, ik zal hen volledig vernietigen!'

 

Te Rajagaha:    zeven voorwaarden voor welvaart:
1.4
. Nu stond Eerwaarde Ananda achter de Heer om hem koelte toe te wuiven, en de Heer zei: "Ananda, heb jij gehoord dat de Vajji's geregeld en veelvuldig bijeenkomsten houden?" -- "Heer, ik heb gehoord dat zij dat zo doen." -- "Ananda, zolang de Vajji's geregeld en veelvuldig bijeenkomsten houden, dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Ananda, heb jij gehoord dat de Vajji's op harmonieuze wijze bijeenkomen, op harmonieuze wijze van elkaar scheiden en hun zaken op harmonieuze wijze voortzetten?" -- "Heer, ik heb gehoord dat dat zo is." -- "Ananda, zolang de Vajji's op harmonieuze wijze bijeen komen, op harmonieuze wijze van elkaar scheiden en hun zaken op harmonieuze wijze voortzetten, dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Ananda, heb jij gehoord dat de Vajji's niet bekrachtigen wat nog niet bekrachtigd is, en niet afschaffen wat reeds bekrachtigd is, maar verder gaan overeenkomstig hetgeen dat door hun oude traditie wordt bekrachtigd?" -- "Heer, ik heb gehoord dat zij dat doen." -- "Ananda, zolang de Vajji's dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Ananda, heb jij gehoord, dat zij de ouderen onder hen eren, respecteren, eerbiedigen en begroeten, en dat zij hen waardig achten door naar hen te luisteren?" -- "Heer, ik heb gehoord dat zij dat zo doen." -- "Ananda, zolang de Vajji's dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Ananda, heb jij gehoord, dat zij zich ervan onthouden met geweld de vrouwen en dochters van anderen te ontvoeren en hen te dwingen met hen te leven?" -- "Heer, ik heb gehoord dat zij zich daarvan onthouden." -- "Ananda, zolang de Vajji's dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Ananda, heb jij gehoord, dat de Vajji's heiligdommen eren, respecteren, eerbiedigen en begroeten -- thuis en over de grens -- en de al eerder verleende passende ondersteuning niet intrekken?" -- "Heer, ik heb gehoord dat zij dat zo doen." -- "Ananda, zolang de Vajji's dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Ananda, heb jij gehoord, dat een passende voorziening is getroffen voor de veiligheid van de Arahats, zodat zulke Arahats in de toekomst naar hen toe zullen komen om er te leven, en dat zij, die er reeds leven, comfortabel zullen leven?" -- "Heer, ik heb gehoord dat zij dat zo doen." -- "Ananda, zolang de Vajji's dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

1.5. Toen zei de Heer tegen de brahmaan Vassakara: "Eens, brahmaan, toen ik bij het Sarandada Heiligdom te Vesali was, onderwees ik de Vajji's deze zeven principes om het ten gronde gaan te kunnen voorkomen, en zolang zij zich aan deze zeven principes houden, zolang deze principes van kracht blijven, mag van de Vajji's worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

Hierop antwoordde Vassakara: "Als de Vajji's, Eerwaarde Gotama, zich aan zelfs één van deze zeven principes houden, dan mag van hen worden verwacht dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan -- stel dat zij zich aan al deze zeven principes houden. De Vajji's kan in de strijd geen kwaad toegebracht worden door de koning van Magadha, Ajatasattu, maar slechts door propaganda die hen tegen elkaar op doet zetten. Mag ik nu, Eerbiedwaardige Gotama, vertrekken? Ik heb het druk en heb nog veel te doen." -- "Brahmaan, doe wat je denkt dat goed is." Toen stond de brahmaan Vassakara, verheugd door de Gezegende zijn woorden, van zijn zetel op en vertrok.

 

Te Rajagaha:    het welvaren van de monniken:
1.6
. Kort nadat Vassakara vertrokken was, zei de Heer: "Ananda, ga naar de monniken die in de omgeving van Rajagaha verblijven en roep hen bijeen bij de vergaderhal." -- "Goed, Heer", zei Ananda, en hij deed wat hem gevraagd was. Daarna kwam hij naar de Heer, groette hem, stond aan zijn zijde en zei: "Heer, de orde van monniken is bijeengebracht. Het is nu tijd voor de Heer om te doen wat hij vindt dat goed is." En de Heer stond van zijn zetel op, begaf zich naar de vergaderhal, ging op de voor hem in gereedheid gebrachte zetel zitten, en zei: "Monniken, ik zal jullie zeven dingen onderwijzen die tot welzijn strekken. Luister en schenk diepe aandacht. Ik zal nu spreken."-- "Ja, Heer", zeiden de monniken, en de Heer zei:

 

Te Rajagaha:    zeven dingen - 1:
"Zolang de monniken met regelmaat en veelvuldig bijeenkomsten houden, mag van hen verwacht worden dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Zolang zij in harmonie bijeenkomen, in harmonie van elkaar scheiden en hun zaken in harmonie voortzetten, mag van hen verwacht worden dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

"Zolang zij niet bekrachtigen wat nog niet bekrachtigd is, en niet afschaffen wat reeds bekrachtigd is, maar verdergaan overeenkomstig datgene dat door de regels van de training bekrachtigd wordt"

"Zolang zij de ouderen met veel ervaring -- die reeds lange tijd zijn ingewijd, die vaders en leiders van de orde zijn -- eren, respecteren, eerbiedigen en begroeten."

"Zolang zij niet ten prooi vallen aan begeerten die in hen ontstaan en die naar wedergeboorte leiden."

"Zolang zij zich toewijden aan onderkomens in wouden."

"Zolang zij hun persoonlijke indachtigheid in acht nemen, zodat in de toekomst de goede onder hun metgezellen naar hen toe zullen komen, en zij die reeds gekomen zijn zich bij hen op hun gemak voelen."

"Zolang de monniken zich aan deze zeven dingen houden en zij erom bekend staan dat zij dat zo doen, dan mag van hen verwacht worden dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

 

Te Rajagaha:    zeven dingen - 2:
1.7
. "Ik zal jullie zeven andere dingen onderwijzen die tot welzijn strekken. Zolang monniken zich niet verheugen, geen vreugde zien in en niet geabsorbeerd worden door allerlei activiteiten kletspraat slapen gezelschap slechte verlangens het zich vermengen en omgaan met slechte vrienden Zolang zij niet tevreden rusten wanneer de verworvenheden slechts gedeeltelijk bereikt zijn Zolang de monniken zich aan deze zeven dingen houden en zij erom bekend staan dat zij dat zo doen, dan mag van hen verwacht worden dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

Te Rajagaha:    de zeven goede kwaliteiten:
1.8
. "Ik zal jullie zeven andere dingen onderwijzen die tot welzijn strekken. Zolang monniken geloof, bescheidenheid, morele schaamte en vrees hebben om kwaad te doen, bedreven zijn in het leren, vastberaden zijn, met gevestigde indachtigheid zijn, met wijsheid zijn."

 

Te Rajagaha:    de zeven factoren van verlichting:
1.9
. "Ik zal jullie zeven andere dingen onderwijzen die tot welzijn strekken. Zolang monniken de factoren van verlichting ontwikkelen, namelijk: indachtigheid, onderzoek naar realiteit, energie, vreugde, kalmte, concentratie en gelijkmoedigheid."

 

Te Rajagaha:    zeven waarnemingen:
1.10
. "Ik zal jullie zeven andere dingen onderwijzen die tot welzijn strekken. Zolang monniken het waarnemen van vergankelijkheid ontwikkelen, van niet-zelf, van onzuiverheid, van gevaar, van het te boven komen, van hartstochtloosheid, van het ophouden. Zolang de monniken zich aan deze zeven dingen houden en zij erom bekend staan dat zij dat zo doen, dan mag van hen verwacht worden dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

 

Te Rajagaha:    zes dingen om in gedachten te houden:
1.11
. "Monniken, ik zal jullie zes dingen onderwijzen die tot het harmonieus leven in een commune strekken. Zolang de monniken, in het openbaar zowel als in de privé sfeer, ten opzichte van hun metgezellen liefdevolle vriendelijkheid vertonen via de daden van het lichaam, de spraak en de geest."

"Zolang monniken met hun deugdzame metgezellen delen wat zij als een rechtmatige gift hebben ontvangen, inclusief de inhoud van hun bedelnappen hetgeen zij niet enkel voor zichzelf houden."

"Zolang zij consequent, ononderbroken en standvastig de regels van gedrag handhaven die volkomen en perfect zijn, vlekkeloos en zuiver, die naar bevrijding leiden, die door de wijzen geprezen worden, die zuiver zijn en tot concentratie strekken -- zolang zij daarin met hun metgezellen volhardend zijn, zowel in het openbaar als in de privé sfeer."

"Zolang zij voortgaan in het edele inzicht dat tot bevrijding leidt, tot de algehele vernietiging van lijden, met hun metgezellen in zo'n (toestand van) gewaarzijn blijven, in het openbaar zowel als in de privé sfeer."

"Zolang de monniken zich aan deze zes dingen houden en gezien wordt dat zij dat zo doen, dan mag van hen verwacht worden dat zij welvarend zullen zijn en niet ten gronde zullen gaan."

1.12. En toen predikte de Heer, terwijl hij op de Gierenpiek verbleef, een goed opgebouwde toespraak: "Dit is moraliteit, dit is concentratie, dit is wijsheid, dit is bevrijding. Concentratie (meditatie), monniken, die ondersteund wordt door deugdzaamheid brengt veel vruchten voort, veel zegening. De geest, die ondersteund wordt door wijsheid, is volledig en geheel bevrijd van alle aantastingen, namelijk: de aantasting van zintuiglijke begeerten, de aantasting van worden, de aantasting van opvattingen en de aantasting van onwetendheid."

 

Te Ambalatthika:
1.13
. En toen de Heer zolang in Rajagaha gebleven was als dat hij dat wenste, zei hij tegen Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar Ambalatthika gaan." -- "Goed, Heer", zei Ananda, en de Heer vertrok vergezeld door een grote groep monniken.

1.14. En de Heer verbleef in het koninklijke park te Ambalatthika en ook daar predikte de Heer een goed opgebouwde toespraak: "Dit is moraliteit, dit is concentratie, dit is wijsheid, dit is bevrijding. Concentratie (meditatie), monniken, die ondersteund wordt door deugdzaamheid brengt veel vruchten voort, veel zegening. De geest, die ondersteund wordt door wijsheid, is volledig en geheel bevrijd van alle aantastingen (asava's), namelijk: de aantasting van zintuiglijke begeerten (kamasava), de aantasting van worden (bhavasava), de aantasting van opvattingen (ditthasava) en de aantasting van onwetendheid (avijjasava)."

 

Te Nalanda:    Sariputta's leeuwenbrul:
1.15
. En toen de Heer zolang te Ambalatthika gebleven was als dat hij wenste, zei hij tegen Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar Nalanda gaan." -- "Goed, Heer." Te Nalanda verbleef de Heer met een groot aantal monniken in Pavarika's mango bos.

1.16. Toen ging de Eerwaarde Sariputta naar de Heer, begroette hem, ging aan zijn zijde zitten, en zei: "Dit geloof, Heer, heb ik in de Gezegende, dat er nog nooit is geweest, noch ooit zal zijn, noch er nu een andere asceet of brahmaan is, die beter of meer verlicht zal zijn dan de Gezegende."

"Verheven en groots is inderdaad deze spraak van jou, Sariputta! Een stoutmoedige uitspraak! Een echte brul van een leeuw! Maar hoe is dit, Sariputta? Heb jij directe persoonlijke kennis van alle Arahats, van alle Volledig Verlichten van het verleden, zodat je kunt zeggen: 'Deze Gezegenden waren van die of die deugdzaamheid, zo was hun meditatie, zo was hun wijsheid, zo waren hun verblijven en zo was hun bevrijding?'" -- "Dat heb ik niet, Heer."

"En heb je alle Boeddha's waargenomen die in de toekomst zullen verschijnen ?" -- "Dat heb ik niet, Heer."

"Goed dan, Sariputta, jij kent mij als de Arahat, de Volledig Verlichte, en weet jij: 'De Gezegende is van die of die deugdzaamheid, zo is zijn meditatie, zo is zijn wijsheid, zo is zijn verblijven en zo is zijn bevrijding?" -- "Dat weet ik niet, Heer."

"Dan is het duidelijk, Sariputta, dat jij niet de directe persoonlijke kennis hebt van de geest van de Boeddha's van het verleden, van de toekomst of van het heden. Hoe durf je dan op zo'n verheven en grootse manier te spreken, zo stoutmoedig, als een echte brul van een leeuw, met de woorden: 'Dit geloof, Heer, heb ik in de Gezegende, dat er nog nooit is geweest, noch ooit zal zijn, noch er nu een andere asceet of brahmaan is, die beter of meer verlicht zal zijn dan de Gezegende?'"

1.17. "Heer, ik heb niet de directe persoonlijke kennis van de geest van de Arahats, de Volledig Verlichten van het verleden, van de toekomst en van het heden, maar ik ken de stroom van de Dhamma. Veronderstel, Heer, dat er een koninklijke grensstad zou zijn, met machtige torens en een machtige stadsmuur waarin slechts één poort was met een poortwachter die wijs, vakkundig en verstandig was, en vreemdelingen buiten hield en degenen die hem wél bekend waren, binnen liet. En wanneer hij constant over een pad patrouilleert dat om de stad heen leidt, ontdekt hij nergens een gat of een scheur in de muren welke zo groot zijn dat er een kat doorheen zou kunnen glippen. Zo komt hij tot de conclusie: 'Alle wezens die groter zijn en die de stad in of uit willen, zullen allemaal door deze ene poort moeten gaan.' Op diezelfde manier, Heer, zie ik de stroom van de Dhamma."

"Want, Heer, alle Arahats, alle Volledig Verlichten van het verleden verwierven de verheven verlichting door het opgeven van de vijf hindernissen, de mentale bezoedelingen die het begrip afzwakken. Zij hebben de vier fundamenten van indachtigheid  diep in hun geest gevestigd en zij hebben de zeven factoren van verlichting ontwikkeld."

"En, Heer, alle Arahats, alle Volledig Verlichten van de toekomst zullen de vijf hindernissen opgeven, de mentale bezoedelingen die het begrip afzwakken. Zij zullen de vier fundamenten van indachtigheid diep in hun geest vestigen en zij zullen de zeven factoren van verlichting ontwikkelen."

"En ook u, Heer, die nu de Arahat, een Volledig Verlichte Boeddha is, heeft de vijf hindernissen opgegeven, de mentale bezoedelingen die het begrip afzwakken. U heeft de vier fundamenten van indachtigheid diep in uw geest gevestigd en u heeft de zeven factoren van verlichting ontwikkeld."

1.18. En toen, terwijl hij te Nalanda in het mango bos van Pavarika verbleef, predikte de Heer vaak een goed opgebouwde toespraak tot de monniken: "Dit is moraliteit, dit is concentratie, dit is wijsheid, dit is bevrijding. Concentratie (meditatie), monniken, die ondersteund wordt door deugdzaamheid brengt veel vruchten voort, veel zegening. De geest, die ondersteund wordt door wijsheid, is volledig en geheel bevrijd van alle aantastingen, namelijk: de aantasting van zintuiglijke begeerten, de aantasting van worden, de aantasting van opvattingenen de aantasting van onwetendheid."

 

Te Pataligama:
1.19
. En nadat hij zo lang hij het wenste in Nalanda gebleven was, zei de Heer tegen Ananda: "Kom, Ananda, laat ons naar Pataligama gaan." -- "Goed, Heer." En de Heer verbleef in Pataligama, samen met een groot aantal monniken.

1.20. En de lekenvolgelingen van Pataligama hoorden zeggen: "De Gezegende is hier gearriveerd." En zij kwamen naar de Gezegende, groetten hem op respectvolle wijze, gingen aan zijn zijde zitten en spraken hem aan met de woorden: "Moge het de Gezegende behagen, Heer, om onze vergaderhal te bezoeken." En door zijn stilzwijgen stemde de Heer toe.

1.21. Nadat zij het stilzwijgen van de Gezegende hadden begrepen, stonden de lekenvolgelingen van Pataligama van hun zitplaatsen op, groetten hem op respectvolle wijze, en terwijl zij hun rechterzijde naar hem hielden gericht, vertrokken zij naar de vergaderhal. En zij maakten de vergaderhal gereed door de vloer met kleden te bedekken, zetten zetels en water klaar, en ook plaatsten zij een olielamp. Toen zij dat hadden gedaan, keerden zij naar de Gezegende terug, groetten hem op respectvolle wijze, gingen aan zijn zijde staan en spraken hem aan met de woorden: "Heer, de vergaderhal is gereedgemaakt, de vloer is overal bedekt, zetels en water zijn klaargezet. Laat de Heer nu doen wat hij vindt dat passend is."

1.22. En de Heer kleedde zich aan, nam zijn bedelnap en gewaad, en ging samen met de monniken naar de vergaderhal. Nadat hij zijn voeten had gewassen, trad de Heer de hal binnen en nam hij plaats met zijn rug tegen de pilaar in het midden, met zijn gezicht naar het oosten. En de groep monniken, nadat zij hun voeten hadden gewassen, trad ook de hal binnen en namen plaats met hun ruggen gericht naar de muur aan de westzijde, met hun gezichten naar het oosten, zodat de Gezegende voor hen zat. En ook de lekenvolgelingen van Pataligama, nadat zij hun voeten hadden gewassen, traden de hal binnen en namen plaats met hun ruggen tegen de muur aan de oostkant, met hun gezichten naar het westen, zodat de Gezegende voor hen zat.

 

Te Pataligama:    de vruchten van een immoreel leven:
1.23
. En de Heer sprak de lekenvolgelingen van Pataligama als volgt toe: "Huishouders, deze vijf gevaren ontmoet iemand die immoreel is, iemand die van deugdzaamheid is afgebogen. Welke zijn deze? Ten eerste: hij lijdt grote verliezen aan bezittingen door onoplettendheid omtrent zijn zaken. Ten tweede: hij krijgt een slechte naam vanwege zijn ondeugdzaamheid en zijn misdragingen. Ten derde: hij is temidden van welke gemeenschap dan ook -- of het een gemeenschap is van Khattiya's, brahmanen, huishouders of asceten -- onzeker en verlegen. Ten vierde: hij sterft onrustig. Ten vijfde: hij wordt, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, in een ongelukkige staat geboren, in een sfeer van ellende, in de lagere werelden, in een hel. Dit zijn de vijf gevaren voor iemand met een slechte moraliteit."

 

Te Pataligama:    de vruchten van een moreel leven:
1.24
. "En deze vijf zegeningen, huishouders, komen tot iemand die een goede moraliteit heeft en die deugdzaamheid beoefent: Welke zijn deze? Ten eerste: hij wint aan weelde door zorgvuldig aandacht te schenken aan zijn zaken. Ten tweede: hij krijgt een goede naam vanwege zijn deugdzaamheid en zijn goede gedrag. Ten derde: hij is temidden van welke gemeenschap dan ook -- of het een gemeenschap is van Khattiya's, brahmanen, huishouders of asceten -- vol zelfvertrouwen en is zelfverzekerd. Ten vierde: hij sterft rustig. Ten vijfde: hij wordt, na de ontbinding van het lichaam, na de dood, in een gelukkige staat geboren, in een hemelse wereld. Dit zijn de vijf zegeningen die tot iemand komen die een goede moraliteit heeft en die deugdzaamheid beoefent."

1.25. En de Heer instrueerde, inspireerde, verkwikte en verblijdde de lekenvolgelingen van Pataligama met een gesprek over de Dhamma tot ver in de nacht. Toen zond hij hen weg met de woorden: "Huishouders, het is al diep in de nacht. Het is voor jullie nu tijd om te doen wat passend is." -- "Goed, Heer", zeiden ze, en ze stonden op, groetten de Heer, en, terwijl zij hun rechterzijde naar hem toegekeerd hielden, vertrokken ze. En de Heer verbleef de rest van de nacht in de vergaderhal, die door hun vertrek leeg achtergelaten was.

 

Te Pataligama:    het bouwen van de vesting:
1.26
. In die tijd bouwden de hoofdministers van Magadha -- Sunidha en Vassakara -- een vesting te Pataligama ter bescherming tegen de Vajji's. Op dat moment was er een grote menigte van duizenden deva's die te Pataligama in verschillende delen hun intrek hadden genomen. In de regio waar deva's met grote macht verbleven, daar veroorzaakten zij in de geest van de koninklijke officials met de grootse macht, deze plaatsen in te nemen om hun gebouwen op te trekken. Op plaatsen waar deva's van middelmatige en lagere rangorde verbleven, daar veroorzaakten zij in de geest van de koninklijke officials met overeenkomstige macht, deze plaatsen in te nemen om hun gebouwen op te trekken.

1.27. En de Gezegende zag met het hemelse oog, wat zuiver is en dat het menselijke overtreft, de duizenden deva's die hun intrek deden te Pataligama. En toen de morgen aanbrak, zei hij tegen de Eerwaarde Ananda: "Ananda, wie bouwt er een fort te Pataligama?" -- "Heer, Sunidha en Vassakara, de ministers van Magadha, bouwen een fort te Pataligama ter bescherming tegen de Vajji's."

1.28. "Het is, Ananda, alsof zij in overleg met de Goden van de Drieëndertigeen vesting te Pataligama bouwen. Ik heb met mijn hemelse oog, dat zuiver is en het menselijke overtreft, gezien, hoe een groot aantal deva's, duizenden in getal, te Pataligama hun intrek deden. In de regio waar deva's met grote macht verbleven, daar veroorzaakten zij in de geest van de koninklijke officials met de grootse macht, deze plaatsen in te nemen om hun gebouwen op te trekken. Op plaatsen waar deva's van middelmatige en lagere rangorde verbleven, daar veroorzaakten zij in de geest van de koninklijke officials met overeenkomstige macht, deze plaatsen in te nemen om hun gebouwen op te trekken. Waarlijk, Ananda, voor zover het rijk der edelen zich uitstrekt en hun handel uitstrekt, daarvan zal Pataligama de hoofdstad zijn, een handelscentrum zijn. Maar, Ananda, Pataligama zal worden geteisterd door drie gevaren: vuur, water en onenigheid."

1.29. Toen gingen Sunidha en Vassakara naar de Gezegende, en na de vriendelijke begroeting, stonden zij aan een kant, en zeiden: "Dat de Eerbiedwaardige Gotama, samen met de orde van monniken, van ons morgen een maal mag accepteren!" En de Heer stemde stilzwijgend hierin toe.

1.30. Doordat zij zijn stilzwijgen begrepen, gingen Sunidha en Vassakara naar huis om een heerlijk maal van vast en zacht voedsel te bereiden. Toen het klaar was, berichtten zij de Heer: "Eerwaarde Gotama, het maal is gereed." Daarop kleedde de Gezegende zich in de ochtend, nam zijn bedelnap en gewaad, en ging met de orde van monniken naar de woonplaats van Sunidha en Vassakara. Daar gingen zij op de voor hen in gereedheid gebrachte zetels zitten. En Sunidha en Vassakara bedienden de Boeddha en zijn orde van monniken met heerlijk vast en zacht voedsel totdat zij voldaan waren. En toen de Heer zijn maal beëindigd had en zijn hand van de bedelnap weghaalde, namen zij lage zetels en gingen aan een zijde zitten.

1.31. En toen zij daar zo zaten, bedankte de Heer hen met deze verzen:

"Waar een wijze man dan ook zijn thuis maakt,
hij zou altijd de deugdzame leiders van het heilige leven moeten voeden.

En nadat voor de heilige offergaven gedaan zijn,
deelt hij zijn verdiensten met de locale deva's.

En op die manier geëerbiedigd, eren zij hem op hun beurt,
en zijn zij hem goedgunstig gestemd
zoals een moeder dat is voor haar enige kind.

En hij, die aldus de goedgunstigheid van de deva's geniet,
en door hen geliefd is, is altijd gelukkig."

Toen stond de Heer van zijn zitplaats op en vertrok.

 

Te Pataligama:    de oversteek over de Ganges:
1.32
. Sunidha en Vassakara liepen op korte afstand achter de Gezegende aan, en zeiden: "Welke doorgang de asceet Gotama ook neemt, deze zullen wij de Gotama-poort noemen. De doorwaadbare plaats die hij gebruikt om de Ganges over te steken, zullen we de Gotama-poort noemen." En zo werd de doorgang waardoor de Heer vertrok, de Gotama-poort genoemd.

1.33. En de Heer kwam naar de rivier de Ganges. En juist toen stond de rivier zo hoog dat er een kraai uit kon drinken. Sommige mensen zochten naar een boot, sommigen zochten naar een vlot, en weer anderen bonden riet bij elkaar voor een vlot om de oversteek te maken. Maar net zo snel als een krachtige man zijn arm kan strekken en dan weer buigen, zo snel verdween de Heer van deze zijde van de Ganges en verscheen met zijn orde van monniken aan de overkant.

1.34. En de Gezegende zag de mensen die de oversteek wilden maken en die naar een boot zochten, die naar een vlot zochten, terwijl anderen riet bij elkaar bonden voor een vlot om de oversteek te maken. En toen de Heer hen zo zag, sprak hij dit verheven vers:

"Wanneer zij de zee willen oversteken, een meer of een vijver,
maken mensen een brug of vlot --
maar de wijzen zijn dan al reeds overgestoken."

 

.

.

.

.

   
   

 

Dharma-lotus is onderdeel van Reiki-Lotus, een Reiki- en meditatiepraktijk in Breda welk  werkt vanuit een Boeddhistische visie. U kunt contact met ons opnemen op info@Dharma-lotus.com.
Deze website is gebouwd door Ivar Mol, Ivar@reiki-lotus.com
Op alle artikelen rust een auteursrecht.